Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie had geoordeeld dat de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten niet toelaatbaar was vanwege geconstateerde gebreken in de bewijsvoering, zoals het ontbreken van lokale betrokkenheid bij opsporingsmethoden en schending van Salduz-waarborgen.
De advocaat-generaal stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat de rechtmatigheid van bewijsverkrijging niet aan de uitleveringsrechter toekomt en dat onrechtmatigheid niet automatisch tot ontoelaatbaarheid leidt.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had en dat de klachten over het oordeel gegrond zijn. Omdat het dossier onvolledig was en een nadere feitelijke beoordeling nodig is, vernietigde de Hoge Raad het advies en verwees de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof voor hernieuwde afdoening.
De uitspraak benadrukt dat de uitleveringsrechter niet mag toetsen aan de bewijsrechtmatigheid in de verzoekende staat, tenzij sprake is van ernstige risico's op flagrante schendingen van fundamentele rechten zonder effectief rechtsmiddel.
De zaak hangt samen met andere uitleveringszaken, waarbij soortgelijke juridische vragen spelen over bewijsgebruik en uitleveringsvoorwaarden.