Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) [verweerder] c.s. hebben op 18 februari 2009 voor een koopprijs van € 500.000,- twee te Baambrugge gelegen percelen grond gekocht. Aan [eiser] c.s. komt op dat tijdstip met betrekking tot die percelen nog het recht van de Dertiende Penning toe, welk recht inhoudt een recht op betaling van een geldbedrag gelijk aan 11% over de waarde van de onbebouwde grond.
- ii) Uit een notariële akte van 8 juli 2009 blijkt dat [verweerder] c.s. in eerste instantie economisch eigenaar en erfpachter van de grond zijn geworden. De eenmalig verschuldigde erfpachtcanon bedraagt € 1. Op blz. 2 van de notariële akte staat vermeld:
2.Bespreking cassatiemiddel
( [3] )bestaat in bepaalde streken van de provincie Utrecht, met name in de omgeving van Abcoude, Baambrugge, Vinkeveen en Kamerik. Zowel de Staat als particulieren zijn houder van dat recht. Het is een niet als zodanig in het Burgerlijk Wetboek geregeld recht van burgerrechtelijke aard, dat op grond rust en waaraan zakelijke werking toekomt. Het vindt zijn oorsprong in de Middeleeuwen. De landsheer die in die tijd uit hoofde van het ‘wildernisregaal’ de zeggenschap over de woeste grond in genoemde streken had – De Graaf van Holland en de Bisschop van Utrecht –, heeft woeste grond ter ontginning aan ‘kolonisten’ uitgegeven. Daarbij waren ‘ambachtsheren’, gezaghebbers in districten of ambachten, betrokken. Bij het overdragen voor ontginning van grond werd het recht bedongen om bij het van hand wisselen van de grond – krachtens koop/ verkoop, maar in ieder geval niet krachtens schenking of vererving – telkens een dertiende deel van de waarde van de grond in onbebouwde staat te ontvangen. Het recht is ook in handen van particulieren terecht gekomen. Bij de invoering van het burgerlijk wetboek in 1838 en van het huidige burgerlijk wetboek in 1992 is het recht gehandhaafd. Bij wet van 3 oktober 1984, Stb. 1984, 443, in werking getreden op 1 januari 1985, is bepaald dat het recht op de Dertiende Penning per 1 januari 2015 vervalt. Het besluit om het recht te doen vervallen stoelt op de volgende overwegingen. Het recht past niet meer in de tijd van nu. De oorspronkelijke functie en ratio zijn verdwenen. Het recht brengt mee dat eigendommen ongelijk worden belast. Er wordt verder geprofiteerd van waardestijgingen als gevolg van gemeenschapsinvesteringen. Om de houders van het recht te compenseren voor het verlies van het recht is in genoemde wet het percentage voor de bepaling van de van de koper te vorderen som verhoogd van 7.69 % naar 11%.
( [4] )
( [5] )
( [6] )
“Weliswaar moeten oude zakelijke rechten als dat van de dertiende penning krachtens art. 1 van Pro de Wet van 16 mei 1829, Stb 29 worden geëerbiedigd, doch dit betekent niet dat de in 1838 ingevoerde algemene regels in het burgerlijk wetboek ten aanzien van die rechten buiten toepassing zouden moeten blijven.”
( [7] )Van het een noch het ander is echter te dezen sprake.
( [8] )Bij dit verschil van inzicht heeft het hof kunnen volstaan zich op de feitelijke gang van zaken bij [eiser] c.s. te verlaten.
( [9] )
( [10] )
( [11] )