Conclusie
[de man],
[de vrouw],
middel Itot uitgangspunt neemt dat de man het bedrag van zijn eigen bankrekening naar de notaris heeft overgemaakt (vgl.
nr. 0.3en het betoog in de MvG onder II waarnaar wordt verwezen in de
nrs. 1.7 en 1.10), gaat het voorbij aan het door het hof in rov. 2.2 (ii) en 3.7 vastgestelde feit dat hij even daarvoor € 17.500,- van de gezamenlijke spaarrekening naar de bewuste bankrekening had overgemaakt. Nu partijen op het moment van overschrijven nog gehuwd waren – hetgeen het middel ook aanvoert (
nr. 1.3) – heeft het hof in rov. 3.7 aangenomen dat deze betaling viel onder de door het convenant bestreken vaststellingsovereenkomsten ter zake de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen (art. 4.4) en het feit dat ieder van partijen tot zich heeft genomen hetgeen van hem/haar is en dat er behoudens de in het convenant geregelde aanspraken, voor zover hen bekend geen te verdelen vermogensbestanddelen of vergoedingsverplichtingen meer bestaan (art. 4.8).
nrs. 1.1, 1.5, 1.8 en 1.9), is niet rechtens onjuist of onbegrijpelijk dat hof de (dwingende bewijskracht van de) afspraken in het convenant óók heeft betrokken op de door de man aangevoerde leemte respectievelijk separate afspraak met betrekking tot de betaling van het bedrag van € 17.400,-. Dit berust op een aan het hof voorbehouden uitleg van het convenant, die door het hof voldoende is gemotiveerd.
nr. 0.12), [1] hetgeen wordt miskend in onder meer
nr. 1.2van het middel. Uit een en ander volgde dus niet (anders dan met name in
nrs. 1.3, 1.8 en 1.10wordt betoogd), dat het hof moest aannemen dat de betaling niet onder het convenant zou vallen en daaraan de in het middel verbonden consequenties zou hebben moeten verbinden.
nrs. 1.2, slot, en 1.4) en de verwerping door het hof van de overige door de man in verband met de betaling aangevoerde grondslagen (
nrs. 1.5, 1.6, 1.7 1.10). Daarbij verdient nog opmerking dat het hof de stellingen van de man over de separate afspraak heeft verdisconteerd in rov. 3.7. In rov. 3.8 verdisconteert het hof ook de stelling van de man dat hij bij overschrijving van de gezamenlijke rekening naar zijn bankrekening vermeldde dat het om een lening ging. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof hierop niet is ingegaan (met name in de
nrs. 1.2, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8), mist het dus feitelijke grondslag.
Middel IIbetoogt dat de feitelijke stelling van de vrouw dat partijen gezamenlijk naar het postkantoor zijn gegaan om de auto op haar naam te zetten, een vermogensverschuiving impliceert (
nr. 2.1), dat het convenant daarmee geen rekening houdt en op dit punt een leemte bevat (
nrs. 2.4 en 2.5), zodat het hof gehouden was daaromtrent (ambtshalve) een voorziening te treffen (
nrs. 2.2, 2.3, 2.6). Rov. 3.11 is daarom gebaseerd op gronden die deze overweging niet kunnen dragen (
nr. 2.7).