Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld voor opzetheling van twee gestolen ringen die in zijn tas werden aangetroffen in een leegstaande woning. Het hof baseerde zijn oordeel mede op het feit dat de tas aan verdachte toebehoorde en dat een bewijs van afgifte van de gemeente Nijmegen ten name van verdachte in de tas werd gevonden.
De verdediging voerde aan dat niet is uitgesloten dat de ringen door een ander in de tas waren gestopt en dat verdachte niet wist van de aanwezigheid van de ringen. Het hof verwierp dit verweer en achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van de ringen.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, omdat het hof in het midden heeft gelaten wie de ringen in de tas heeft gestopt en de mogelijkheid openlaat dat dit een ander was. Gelet op de omstandigheden, zoals de leegstaande woning die niet was afgesloten en de periode tussen het laatste gebruik van de tas door verdachte en het aantreffen van de ringen, is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.
Daarnaast heeft de Hoge Raad het middel dat het binnentreden van de leegstaande woning zonder machtiging onrechtmatig was, verworpen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het binnentreden en het daaropvolgend zoeken en in beslag nemen van goederen niet onrechtmatig was omdat het ging om een leegstaande woning en de politie handelde binnen haar taak.
De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor wat betreft de bewezenverklaring en strafoplegging omtrent het onder 1 tenlastegelegde en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.