ECLI:NL:PHR:2014:2331

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2014
Publicatiedatum
19 december 2014
Zaaknummer
14/00310
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. VI.5 Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2013Art. 3, eerste lid onder A, Landsverordening verdovende middelenArt. 4, eerste lid onder A, Landsverordening verdovende middelenArt. 11 Landsverordening verdovende middelenArt. 49 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken origineel faxschriftuur in Antilliaanse drugszaken

Verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Landsverordening verdovende middelen. In cassatie werd namens verdachte een schriftuur per fax ingediend, maar het originele exemplaar werd niet nagezonden ondanks een daartoe gestuurde brief van de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat zonder het originele schriftuur de verdachte niet ontvankelijk kon worden verklaard in het cassatieberoep. Tevens werd opgemerkt dat de ingediende middelen evident ongegrond waren, waardoor ook bij ontvangst van het origineel geen ontvankelijkheid zou zijn toegekend.

De zaak betreft een procedurele afwijzing op grond van niet-naleving van procesvoorschriften, waarbij inhoudelijk geen verdere beoordeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden.

Uitkomst: Verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet toezenden van het originele cassatieschrift.

Conclusie

Nr. 14/00310 A
Zitting: 7 oktober 2014
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij vonnis van 8 juli 2013 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder A, van de Landsverordening verdovende middelen, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die Landsverordening juncto artikel 49 van Pro het Wetboek van Strafrecht” en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid onder A, van de Landsverordening verdovende middelen, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die Landsverordening juncto artikel 49 van Pro het Wetboek van Strafrecht”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast zijn beslissingen genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als nader in het vonnis vermeld.
Ontvankelijkheid van het beroep.
In de onderhavige zaak heeft mr. D.G. Illes, advocaat te Aruba, op 8 mei 2014 namens de verdachte per fax een cassatieschriftuur ingediend. Gelet op het vijfde lid van art. VI van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad dient een verzending van een schriftuur per fax te worden gevolgd door inlevering of verzending van een origineel exemplaar van de schriftuur. Nu een origineel exemplaar van de schriftuur niet bij de Hoge Raad is binnengekomen – ook niet na de verzending aan de raadsman van een faxbericht en een brief waarin deze de gelegenheid wordt geboden binnen veertien dagen na 18 september 2014 alsnog aan de verplichting tot verzending of inlevering van een originele schruftuur te voldoen -, kan de verdachte mijns inziens niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Ten overvloede merk ik op dat wanneer de Hoge Raad wel een origineel exemplaar van de schriftuur had ontvangen, de verdachte evenmin in zijn cassatieberoep ontvangen had kunnen worden, nu de in het faxexemplaar van de schriftuur geformuleerde middelen evident ongegrond zijn. [1]
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het eerste middel, omdat in het door het hof bevestigde vonnis van het gerecht in eerste aanleg de bewijsmiddelen zijn opgenomen en het tweede middel, omdat het hof het in het middel bedoelde papiertje niet voor het bewijs heeft gebezigd en - anders dan het gerecht in eerste aanleg - evenmin ten grondslag heeft gelegd aan de verwerping van het verweer betreffende de psychische overmacht.