ECLI:NL:PHR:2014:2333

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 2014
Publicatiedatum
19 december 2014
Zaaknummer
14/05287
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 5 lid 1 EVRMArt. 8 Wet BopzArt. 80a lid 1 ROArt. 5 lid 2 Reglement orde van dienst gerechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen voorlopige machtiging Wet Bopz wegens weigering horen betrokkene

Bij beschikking van 21 juli 2014 verleende de rechtbank Den Haag een voorlopige machtiging op grond van art. 2 Wet Pro Bopz. Tijdens de zitting gaf betrokkene mondeling aan niet bereid te zijn zich te laten horen, tenzij in aanwezigheid van zijn moeder. De rechtbank weigerde de moeder toe te laten vanwege haar verstorende gedrag. Betrokkene zag daarop af van het horen.

Tegen deze beschikking werd tijdig beroep in cassatie ingesteld, maar zonder verweer. De klacht dat de rechtbank onbegrijpelijk van het horen van betrokkene afzag, faalt omdat betrokkene zelf het horen weigerde nadat de rechter niet aan zijn voorwaarde voldeed.

Verder werd geklaagd dat de rechtbank voorafgaand aan de zitting al had besloten de moeder niet toe te laten zonder dat hierover een proces-verbaal was opgemaakt, wat strijd zou zijn met een goede procesorde en art. 8 Wet Pro Bopz. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank niet verplicht was de moeder toe te laten, dat de weigering controleerbaar is uit het proces-verbaal en beschikking, en dat de rechtbank de orde tijdens de zitting mag handhaven.

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO omdat betrokkene zelf afzag van het horen. Hiermee wordt bevestigd dat de rechtbank niet verplicht is te voldoen aan voorwaarden die de betrokkene stelt voor het horen, zeker niet als die voorwaarden de orde verstoren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat betrokkene zelf het horen weigerde zonder aanwezigheid van zijn moeder.

Conclusie

14/05287
Mr. F.F. Langemeijer
17 november 2014 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Den Haag
1. Bij beschikking van 21 juli 2014 heeft de rechtbank Den Haag een voorlopige machtiging verleend op de voet van art. 2 Wet Pro Bopz. De rechtbank stelde vast dat betrokkene mondeling aan de rechter heeft medegedeeld dat hij niet bereid was zich te laten horen. Wel heeft de advocaat van betrokkene namens deze het woord gevoerd. Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2.
Onderdeel Istelt dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat betrokkene niet gehoord wilde worden: hij heeft te kennen gegeven dat hij slechts in het bijzijn van zijn moeder gehoord wil worden. Volgens de klacht is, mede gelet op art. 5 lid 1 EVRM Pro, onbegrijpelijk dat de rechtbank van het horen van betrokkene heeft afgezien.
3. Deze klacht mist feitelijke grondslag: niet de rechtbank, maar betrokkene was degene die van het horen afzag, nadat de rechter niet bereid was gebleken om aan de door betrokkene gestelde voorwaarde te voldoen. Het proces-verbaal vermeldt hierover:
“De rechter heeft de moeder voorafgaand aan de zitting gezien, tezamen met de betrokkene, en acht het gedrag van de moeder dermate verstorend dat zij de betrokkene alleen wil horen buiten de aanwezigheid van zijn moeder. Dit heeft de rechter aan betrokkene medegedeeld. Zijn reactie was dat hij dan niet bereid was zich te doen horen.”
4.
Onderdeel IIklaagt dat, mede gelet op art. 5 lid 1 EVRM Pro, het in strijd met een goede procesorde is dat de rechtbank vóór de zitting een beslissing heeft genomen over het weigeren van de aanwezigheid van de moeder; tegen deze beslissing heeft betrokkene zich niet met rechtsbijstand kunnen verweren. Van de gebeurtenissen voorafgaand aan de zitting waarop de rechtbank baseert dat de aanwezigheid van de moeder storend is, is geen proces-verbaal opgemaakt; daarom is dit niet te controleren.
Onderdeel IIIsluit hierbij aan met de klacht dat ook in het licht van art. 8 Wet Pro Bopz onbegrijpelijk is waarom de rechtbank zelfs geen poging heeft ondernomen de zitting te laten plaatsvinden in aanwezigheid van de moeder.
5. Deze middelonderdelen acht ik kennelijk ongegrond. Niet blijkt dat de moeder behoorde tot de in art. 8 lid 4 Wet Pro Bopz genoemde personen. Op grond van art. 8 lid 5 Wet Pro Bopz kan de rechtbank andere familieleden horen, maar zij is daartoe niet verplicht. Betrokkene was op 21 juli 2014 meerderjarig en de rechtbank was rechtens niet gehouden de moeder tot de behandeling toe te laten. Het stond de rechtbank vrij, voorafgaand aan de zitting reeds de mededeling te doen dat zij betrokkene slechts wilde horen buiten tegenwoordigheid van zijn moeder [1] . Ter zitting is niet opnieuw een beslissing over toelating van de moeder gevraagd, ook niet door de advocaat. De gronden van de weigering zijn kenbaar uit de beschikking en het proces-verbaal en daarmee controleerbaar. Dat het verstorende gedrag van de moeder niet gedetailleerder in het proces-verbaal is beschreven, doet daaraan niet af. Op grond van art. 5 lid 2 Reglement Pro orde van dienst gerechten handhaaft de rechter de orde tijdens de zitting. Het belang van de plicht tot het horen van de betrokkene door de rechtbank [2] , noopte de rechtbank niet om aan de wens van betrokkene te voldoen en toch een poging te ondernemen betrokkene in tegenwoordigheid van zijn moeder te horen. Art. 8 lid 1 Wet Pro Bopz voorziet in een uitzondering indien de betrokkene niet bereid is zich te laten horen.
6. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.Te denken valt bijv. aan de situatie waarin vóór de zitting een uitstelverzoek wordt gedaan en de rechter aankondigt dat het uitstelverzoek niet zal worden ingewilligd. Vervolgens kan de betrokken partij zelf haar keuze bepalen; vgl. HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1774.
2.In het cassatierekest wordt verwezen naar HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998.