Conclusie
Onderdeel Istelt dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat betrokkene niet gehoord wilde worden: hij heeft te kennen gegeven dat hij slechts in het bijzijn van zijn moeder gehoord wil worden. Volgens de klacht is, mede gelet op art. 5 lid 1 EVRM Pro, onbegrijpelijk dat de rechtbank van het horen van betrokkene heeft afgezien.
Onderdeel IIklaagt dat, mede gelet op art. 5 lid 1 EVRM Pro, het in strijd met een goede procesorde is dat de rechtbank vóór de zitting een beslissing heeft genomen over het weigeren van de aanwezigheid van de moeder; tegen deze beslissing heeft betrokkene zich niet met rechtsbijstand kunnen verweren. Van de gebeurtenissen voorafgaand aan de zitting waarop de rechtbank baseert dat de aanwezigheid van de moeder storend is, is geen proces-verbaal opgemaakt; daarom is dit niet te controleren.
Onderdeel IIIsluit hierbij aan met de klacht dat ook in het licht van art. 8 Wet Pro Bopz onbegrijpelijk is waarom de rechtbank zelfs geen poging heeft ondernomen de zitting te laten plaatsvinden in aanwezigheid van de moeder.
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.