Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nietfailliet verklaard.
[verweerster]
de vordering tegen [verweerster]
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerster], feitelijk bestuurder van een groep failliete vennootschappen. De curatoren stelden haar aansprakelijk wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur dat heeft geleid tot het faillissement en boedeltekort.
De rechtbank veroordeelde haar tot betaling van een deel van het tekort, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering tegen haar af, stellende dat zij zich met succes op de disculpatiegrondslag van art. 2:248 lid 3 BW Pro kon beroepen. Het hof motiveerde dit oordeel echter onvoldoende en ging voorbij aan bewijsaanbod en omstandigheden die juist onbehoorlijk bestuur aannemelijk maakten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de vordering heeft afgewezen omdat niet is vastgesteld dat aan de vereisten voor disculpatie is voldaan. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat [verweerster] niet nalatig was in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijke bestuur af te wenden.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug. De conclusie benadrukt dat voor succesvolle disculpatie zowel het ontbreken van ernstig verwijt als het niet nalatig zijn in het nemen van maatregelen bewezen moet worden.
De uitspraak verduidelijkt de strenge eisen aan de bewijsvoering bij bestuurdersaansprakelijkheid en de toepassing van de disculpatiegrondslag in faillissementszaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de toepassing van de disculpatiegrondslag onder art. 2:248 lid 3 BW.