ECLI:NL:PHR:2014:2353

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2014
Publicatiedatum
5 januari 2015
Zaaknummer
14/05468
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens toerekenbare tekortkoming sollicitatieplicht

De rechtbank Rotterdam heeft op 23 juli 2014 de schuldsaneringsregeling van verzoekster beëindigd zonder toekenning van een schone lei, omdat zij onvoldoende had gesolliciteerd. Dit vonnis is door het gerechtshof Den Haag op 23 oktober 2014 bekrachtigd. Het hof motiveerde dat verzoekster nagelaten had een vrijstelling van de sollicitatieplicht te verzoeken en dat haar psychische klachten onvoldoende aannemelijk waren om vrijstelling te rechtvaardigen. Tevens toonde zij onvoldoende actieve houding ondanks herhaalde waarschuwingen van de rechter-commissaris en bewindvoerder.

Verzoekster stelde cassatieberoep in met vier onderdelen, die allen werden verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld over de toerekenbaarheid van de tekortkoming en dat het vertrouwen van verzoekster op vrijstelling niet gerechtvaardigd was zonder rechterlijke ontheffing. Tevens was het aan verzoekster om bewijsstukken te overleggen ter onderbouwing van een vrijstelling. Het cassatieberoep faalde dan ook.

De Hoge Raad bevestigt hiermee dat het niet nakomen van de sollicitatieplicht, zonder geldige vrijstelling en ondanks waarschuwingen, een toerekenbare tekortkoming vormt die beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei rechtvaardigt.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens toerekenbare tekortkoming in de sollicitatieplicht.

Conclusie

14/05468
Mr. L. Timmerman
Zitting 12 december 2014
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
(hierna: [verzoekster]).
1. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 juli 2014 de schuldsaneringsregeling, die op 11 augustus 2011 ten aanzien van [verzoekster] van toepassing is verklaard, beëindigd zonder toekenning van een schone lei. Het gerechtshof Den Haag heeft dit vonnis bekrachtigd bij arrest van 23 oktober 2014. Dit oordeel is kort gezegd als volgt gemotiveerd. Vaststaat dat [verzoekster] niet voldoende heeft gesolliciteerd. Deze tekortkoming kan haar worden toegerekend. Zij heeft allereerst nagelaten een vrijstelling van de sollicitatieplicht bij de rechter-commissaris te verzoeken. Daarnaast is uit de door haar overgelegde brief van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 16 oktober 2013 niet aannemelijk geworden dat sprake is van zodanig psychische klachten dat zij niet in staat is tot werken. Ten slotte heeft [verzoekster] – gezien de lange tijd waarin zij niet heeft gesolliciteerd en onvoldoende actie heeft ondernomen, terwijl zij hierop veelvuldig door zowel de rechter-commissaris als de bewindvoerder is gewezen – in onvoldoende mate de actieve houding heeft getoond die in verband met de schuldsaneringsregeling van haar mag worden verlangd (rov. 4). [verzoekster] is daarom toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de inspanningsverplichting. Er is geen sprake van een tekortkoming die vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan buiten beschouwing kan worden gelaten (rov. 5).
2 Namens [verzoekster] is op 31 oktober 2014 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Het cassatieverzoekschrift omvat vier onderdelen. De daarin geponeerde motiveringsklachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik licht dit kort toe.
3 Onderdeel 1 mist feitelijke grondslag. Het veronderstelt dat het hof is voorbijgegaan aan [verzoekster]’s betoog dat zij niet met opzet de voorwaarden van de schuldsaneringsregeling niet is nagekomen. Over de toerekenbaarheid van de geconstateerde tekortkoming heeft het hof wel degelijk een oordeel gegeven. Onderdeel 2 betoogt dat [verzoekster] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij niet hoefde te werken omdat zij dit in haar brief van 16 oktober 2013 met zoveel woorden aan de bewindvoerder heeft medegedeeld en de bewindvoerder daar niet op heeft gereageerd. Dit betoog miskent dat de schuldenaar pas van zijn sollicitatieplicht wordt vrijgesteld wanneer de rechter-commissaris een ontheffing heeft verleend. [verzoekster] heeft dit nagelaten en is daarnaast veelvuldig en tevergeefs door de bewindvoerder aan haar sollicitatieplicht herinnerd. Voorts heeft zij geen volg gegeven aan de afspraken die de rechter-commissaris met haar te dien aanzien heeft gemaakt (zie het proces-verbaal van het verhoor op 9 april 2013). Volgens onderdeel 3 heeft het hof miskend dat [verzoekster] zich het recht heeft voorbehouden om bewijsstukken te overleggen ten aanzien van de sollicitatieplicht. Dit onderdeel faalt omdat het aan [verzoekster] is om een vrijstelling te verzoeken en aan hand van (nadere) bewijsstukken aannemelijk te maken dat zij daarvoor in aanmerking komt. Bij onderdeel 4 mist [verzoekster] belang, aangezien het betrekking heeft op een oordeel van de rechtbank over een tekortkoming die door het hof niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.
Ik concludeer tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G