Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.4berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, waar het middel betoogt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan voor zover het hof heeft geoordeeld dat de stellingen van [eiseres] in het kader van haar primaire tegenverweer op het verjaringsverweer van [verweerder] een erkenning in de zin van art. 154 Rv Pro althans afstand van recht opleveren. De klacht heeft betrekking op de volgende passage in rov. 7.11:
onderdeel 2hebben betrekking op rov. 7.10 van het bestreden arrest, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
onderdeel 2.2dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend. Volgens
onderdeel 2.3heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 7.10 te miskennen dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen toen [eiseres] daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering in te stellen. Indien iemand lichamelijk letsel heeft opgelopen dat door een ongelukkige samenloop van omstandigheden zou kunnen zijn veroorzaakt en waarvan de toedracht hem niet of onvoldoende bekend is, begint de verjaringstermijn van art. 8:1780 BW Pro pas te lopen zodra hij voldoende zekerheid heeft gekregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen, aldus het middel. In ieder geval zou het hof de verwerping van het uiterst subsidiaire tegenverweer van [eiseres] onvoldoende hebben gemotiveerd.