ECLI:NL:PHR:2014:2452

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2014
Publicatiedatum
6 januari 2015
Zaaknummer
14/00796
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid OM bij schending recht op raadpleging advocaat

Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin het vonnis van de rechtbank Amsterdam is bevestigd. Het eerste middel klaagt over het oordeel dat het feit dat verdachte voorafgaand aan zijn politieverhoor geen raadsman kon raadplegen niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Dit middel wordt verworpen omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting.

Het tweede middel klaagt over het oordeel dat de overtuiging van de verdediging dat sprake is van een doelbewuste poging om de rechtbank te misleiden door onjuiste informatie in een proces-verbaal niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het hof oordeelde dat uit het dossier niet blijkt van doelbewuste misleiding, een oordeel dat niet onbegrijpelijk is en niet voor cassatie vatbaar.

De Procureur-Generaal stelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad volgt dit standpunt en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Conclusie

Nr. 14/00796
Zitting: 2 december 2014
Mr. Spronken
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2013, waarbij een ten laste van verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam is bevestigd.
Het eerste middel bedoelt kennelijk te klagen over het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat het feit dat verdachte voorafgaand aan zijn politieverhoor niet een raadsman heeft kunnen consulteren niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Deze klacht is gestoeld de opvatting dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM de enig passende sanctie is op deze schending van art. 6 EVRM Pro. Het middel gaat hiermee uit van een onjuiste rechtsopvatting en is evident kansloos.
De kennelijk als tweede middel voorgestelde klacht klaagt over het oordeel van het hof dat ook de overtuiging van de verdediging dat sprake is van een doelbewuste poging de rechtbank te misleiden door onjuiste informatie te vermelden in een proces-verbaal niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het middel voert daartoe aan dat het hof ten minste had moeten benadrukken dat een eerlijk proces is gediend met ambtsedige processen-verbaal waaraan geen enkele smet kleeft. Het middel stelt hiermee een eis die het recht niet kent. Het feitelijke oordeel van het hof dat uit de stukken in het dossier niet is gebleken van doelbewuste misleiding is allerminst onbegrijpelijk en leent zich niet voor een verdere toets in cassatie. Ook dit middel is evident kansloos.
Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG