Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de verbalisanten niet optraden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Wij, verbalisanten, bevonden ons in uniform gekleed en met autosurveillance belast op de openbare weg te Amsterdam. Aldaar controleerden wij een personenauto voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Volgens de politiesystemen bleek dit voertuig op naam van [verdachte], geboren op 8 februari 1981 te [geboorteplaats] te zijn gesteld. Ik hoorde via de portofoon van de collega dat [verdachte] onherroepelijk gesignaleerd stond voor een bedrag van € 24,38.
Op 3 oktober 2009 bevinden genoemde verbalisanten zich omstreeks 22.35 uur op de Admiralengracht te Amsterdam, ter hoogte van perceelnummer 238. De verbalisanten zijn in politie-uniform gekleed en als zodanig herkenbaar voor derden. De verbalisanten zien een personenauto met het kenteken [AA-00-BB] inparkeren. De bestuurder blijft zitten en de vrouw, naar later blijkt de verdachte, stapt uit en loopt naar een woning. De verbalisanten besluiten over te gaan tot een controle met betrekking tot de auto. Uit de politiesystemen blijkt dat de verdachte de tenaamgestelde van de auto is. Ook blijkt daaruit dat de verdachte staat gesignaleerd in verband met een te betalen bedrag van € 24,38. [verbalisant 1] verneemt van de bestuurder genaamd [betrokkene], dat het voertuig op naam van zijn vrouw staat die net is uitgestapt. Hierop komt de verdachte naar buiten gelopen. De verbalisanten horen de vrouw roepen: "Hebben jullie niets beters te doen, kunnen jullie geen boeven gaan vangen of zo? Wat doen jullie?" [verbalisant 1] legt de verdachte uit dat haar collega en zij bezig zijn met een controle van het voertuig (het hof begrijpt: op basis van de Wegenverkeerswet 1994). Hierop hoort [verbalisant 1] dat de verdachte schreeuwt: "Dit slaat echt nergens op, willen jullie kijken of mensen openstaande boetes hebben of zo?" [verbalisant 1] vraagt hierop of het voertuig op naam van de verdachte staat. Verdachte antwoordt bevestigend. Hierop vordert [verbalisant 1] het identiteitsbewijs van de verdachte. De verbalisanten horen de verdachte vervolgens op luide en agressieve toon zeggen: "Als ik niet de tenaamgestelde was geweest, had ik het dan ook moeten laten zien?".
Nadat de verdachte zich gelegitimeerd heeft deelt [verbalisant 2] de verdachte mede dat zij onherroepelijk staat gesignaleerd in verband met een te betalen bedrag van € 24,38 en dat zij de mogelijkheid heeft om achter hem en zijn collega aan te rijden naar het politiebureau om het bedrag daar te voldoen. De verbalisanten horen de verdachte vervolgens schreeuwen dat zij niet wilde meegaan naar het bureau voor 25 euro. Hierop zien de verbalisanten dat de verdachte geld uit haar portemonnee pakt. [verbalisant 1] deelt mede dat de betaling op het politiebureau moet worden voldaan.
[verbalisant 2] deelt de verdachte hierop mede dat zij is aangehouden en dat er geen geweld gebruikt zal worden als zij meewerkt. De verbalisanten horen de verdachte op een agressieve en luide toon zeggen: "Al til je me op, ik ga niet mee". De verbalisanten zien dat de verdachte tegen de auto geleund staat en dat zij haar armen over elkaar voor haar borst houdt. De verbalisanten trachten de verdachte bij haar armen te pakken teneinde haar in het politievoertuig te krijgen. De verbalisanten voelen dat de verdachte haar armen met kracht in tegengestelde richting beweegt van waar de verbalisanten haar naar toe willen brengen. Vervolgens zien de verbalisanten dat de man van de verdachte zich met de aanhouding bemoeit en dat een groep van ongeveer tien omstanders op een afstand van vier meter het gebeuren gadeslaan. De verbalisanten horen de verdachte schreeuwen: "Maak foto's, dit slaat nergens op, ze nemen me mee voor 25 euro." [verbalisant 1] vraagt hierop om assistentie. De verbalisanten besluiten vervolgens gezien de heftige reactie van de verdachte om bij de verdachte de transportboeien aan te leggen, voor een veilig transport naar het politiebureau. [verbalisant 2] pakt hierop de rechterarm van de verdachte vast en legt vervolgens de transportboei aan om de rechterpols van de verdachte. [verbalisant 2] ziet dat de verdachte haar linkerarm voor haar borst houdt. Hij pakt haar arm vast maar voelt dat zij haar arm met kracht tegen haar borst houdt. [verbalisant 2] voelt vervolgens dat de verdachte in zijn linkerduim bijt. [verbalisant 2] dient de verdachte een pijnprikkel toe met behulp van de transportboei om haar rechterarm. Hierdoor beweegt de verdachte haar rechterarm naar haar rug. [verbalisant 1] probeert de linkerarm van de verdachte vast te pakken en tracht deze naar haar rug te brengen, maar voelt dat de verdachte zich wederom verzet. Kort hierop staakt de verdachte haar verzet. Zij brengt haar linkerarm naar voren. [verbalisant 2] brengt eerst de rechterarm van de verdachte naar voren en legt vervolgens de transportboei aan op haar linkerhand. De verdachte wordt met de transportboeien aan de voorzijde afgevoerd naar het politiebureau.
Het dossier is op verzoek van de verdediging in hoger beroep door de advocaat-generaal aangevuld met de stukken van de beklagprocedure ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering, welke door de verdachte tegen de verbalisanten is geïnitieerd en is uitgemond in een ongegrondverklaring van het beklag.
Uit die stukken blijkt dat op 28 december 2006 door de bestuurder van een auto, die op naam van de verdachte stond, de maximumsnelheid is overtreden. Hierop is een sanctie op basis van de Wet Administratiefrechtelijke handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV) opgelegd aan de verdachte als tenaamgestelde van dit voertuig. Na een lang traject gedurende hetwelk het verschuldigde bedrag niet is voldaan, heeft de kantonrechter op vordering van de officier van justitie machtiging gegeven tot gijzeling van de verdachte op basis van artikel 28 WAHV Pro. Verdachte stond sinds 17 maart 2008 gesignaleerd voor toepassing van het WAHV-dwangmiddel gijzeling voor de duur van zeven dagen, zo volgt uit de stukken.
Het hof overweegt dat artikel 4, derde lid, van het Besluit Administratiefrechtelijke handhaving Verkeersvoorschriften (BAHV) regelt dat voldoening van een WAHV-sanctie altijd op het politiebureau dient te geschieden.
Op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden zoals blijkend uit de stukken van het dossier, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat nu de verdachte gesignaleerd stond voor een zogeheten Mulder-gijzeling en zij zich niet onmiddellijk bereid toonde om mee te gaan naar het politiebureau om het openstaande geldbedrag te voldoen om toepassing van die gijzeling af te wenden, er een titel bestond om haar de vrijheid te ontnemen. De verbalisanten waren derhalve gerechtigd om de verdachte aan te houden. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen hebben de verbalisanten de verdachte ook medegedeeld dat zij werd aangehouden omdat zij gesignaleerd stond voor een openstaande boete (naar later bleek: Mulder-sanctie).
Voorts mochten zij met het oog op de veiligheid van de verdachte, van henzelf en van derden, hetgeen de in artikel 22 van Pro de eerdergenoemde Ambtsinstructie vastgelegde maatstaf is, transportboeien aanleggen bij de verdachte. Gelet op de omstandigheden waaronder de aanhouding heeft plaatsgevonden en met name de escalatie van de gebeurtenissen die geheel aan de verdachte te wijten is geweest, acht het hof het door de verbalisanten uitgeoefende geweld niet disproportioneel, noch in strijd met dienstvoorschriften. Het hof merkt in dit verband op dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte tijdens haar aanhouding tevens is geslagen en geschopt, zoals door de verdachte is verklaard. Die stelling vindt immers geen steun in verklaringen van onafhankelijke getuigen. Het bij de verdachte geconstateerde letsel in de vorm van een blauwe plek op de arm en rode striemen op de polsen maakt dit oordeel niet anders, nu dit letsel ook kan zijn veroorzaakt door de hiervoor beschreven handelingen van de verbalisanten.
tweede middelklaagt dat het hof heeft verzuimd het beroep op noodweer en een noodweerexces gemotiveerd te verwerpen.