ECLI:NL:PHR:2014:256
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep inzake het onder zich hebben van beschermde inheemse vogels volgens de Flora- en faunawet
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 16 april 2013, waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk onder zich hebben van beschermde inheemse vogels, waaronder Afrikaanse vinken en Noordse goudvinken, in strijd met de Flora- en faunawet.
De klachten in cassatie betreffen de begrijpelijkheid van de strafmotivering, de vermeende overschrijding van de tenlastelegging door het Hof en de motivering van de beschermde status van de vogelsoorten. Het eerste middel stelt dat de strafmotivering onduidelijk is omdat het Hof zou hebben bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig maakte aan gedragingen die zwaarder zijn dan de tenlastelegging. Dit wordt verworpen omdat het Hof juist heeft bewezenverklaard dat verdachte beschermde vogels in voorraad had, verkocht en te koop aanbood, en dat de straf voor deze gedragingen gelijk is.
Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van meer dan vijf vogels terwijl de tenlastelegging sprak van '5, althans een of meer' vogels. Het Hof heeft dit praktisch uitgelegd en de bewezenverklaring is niet beperkt tot vijf vogels, hetgeen niet onbegrijpelijk is gezien de grote aantallen vogels die bij verdachte zijn aangetroffen.
Het derde middel betreft de motivering dat de Afrikaanse vink en Noordse goudvink behoren tot beschermde inheemse diersoorten. Het Hof heeft dit voldoende gemotiveerd door te stellen dat deze ondersoorten van nature voorkomen op Europees grondgebied en dus beschermd zijn.
De Hoge Raad verklaart de middelen ongegrond en verwerpt het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden wordt bevestigd.