ECLI:NL:PHR:2014:265

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
9 april 2014
Zaaknummer
12/05015
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 116 lid 3 SvArt. 34 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake teruggave bromscooteronderdelen wegens onbegrijpelijke motivering

De zaak betreft een beklag van een beslagene tegen de beslissing van de rechtbank Utrecht die het klaagschrift ongegrond verklaarde inzake het niet-teruggeven van bepaalde bromscooteronderdelen (kappenset en buddyseat) die in beslag waren genomen op verdenking van diefstal.

De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, omdat niet was uitgesloten dat de onderdelen van diefstal afkomstig waren en verbeurdverklaring niet hoogst onwaarschijnlijk was. Het openbaar ministerie had echter opdracht gegeven de kappenset en buddyseat terug te geven aan de aangever, wat tot tegenstrijdige standpunten leidde.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank onbegrijpelijk heeft geoordeeld omdat het OM zich op het standpunt stelde dat de onderdelen konden worden teruggegeven, en dat de teruggave feitelijk al had plaatsgevonden. Hierdoor is het niet meer aannemelijk dat verbeurdverklaring zal volgen.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling. Tevens wordt opgemerkt dat een prematuur teruggegeven beslaggoed in beginsel recht op schadevergoeding kan geven.

De conclusie van de AG benadrukt dat het belang van strafvordering niet meer aanwezig is en dat de rechtbank een kritische houding had moeten aannemen ten aanzien van het wisselende standpunt van het OM.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug vanwege een onbegrijpelijke motivering omtrent het belang van strafvordering en de feitelijke teruggave van de bromscooteronderdelen.

Conclusie

Nr. 12/05015 B
Zitting: 4 februari 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[klager]
1. De Rechtbank te Utrecht heeft bij beschikking van 28 augustus 2012 een namens A. El Manssouri ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, voor zover dat niet namens klager is ingetrokken, ongegrond verklaard.
2. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.Het oordeel van de Rechtbank

3.1.
Voor een goed begrip meld ik dat het klaagschrift inhoudt dat onder klager een bromscooter in beslag is genomen en dat na technisch onderzoek het vermoeden rees dat bepaalde onderdelen van die bromscooter (het motorblok en de kappen) van diefstal afkomstig waren.
3.2.
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
1. onder klager is op 18 april 2012 in beslag genomen: bromfiets (Piaggio C25, kenteken: [AA-00-BB]);
2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen;
3. klager wordt verdacht van - kort gezegd - diefstal;
4. door de namens de hoofdofficier gemandateerde [betrokkene 1] van het parket Utrecht is op 8 mei 2012 opdracht gegeven het motorblok, de kappenset en de buddyseat te demonteren en terug te geven aan de aangever [betrokkene 2]. De bromfiets zal worden teruggegeven aan de tenaamgestelde van het kenteken [AA-00-BB], te weten klager.
De raadsman verklaart dat de bromfiets, op de mogelijk van diefstal afkomstige onderdelen na, terug is naar klager. De raadsman trekt het verzoekschrift in voor zover dit betrekking heeft op het motorblok maar handhaaft het klaagschrift voor zover dit betrekking heeft op de kappen en de buddyseat van de bromfiets.
Overwegingen
Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv Pro is daarbij in dit geval van belang of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren.
De officier heeft zich verzet tegen teruggave aan klager en daartoe aangevoerd dat niet uitgesloten kan worden dat de goederen van diefstal afkomstig zijn en nog niet is vast te stellen of klager schuldheling verweten kan worden.
Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie is aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat het belang van strafvordering zich in dit geval verzet tegen de teruggave van de kappenset en de buddyseat aan klager. Immers, is niet uit te sluiten dat de goederen afkomstig zijn van diefstal, waardoor niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, hetgeen in beslag is genomen zal verbeurd verklaren.
Het klaagschrift zal derhalve ongegrond worden verklaard.”

4.De ontvankelijkheid van het beroep

Het cassatieberoep heeft, zoals uit de bestreden beschikking volgt, enkel nog betrekking op de kappen en de buddyseat. Namens mij ingewonnen inlichtingen hebben uitgewezen dat deze voorwerpen al op 9 mei 2012, kennelijk ter uitvoering van de op 8 mei 2012 door [betrokkene 1] gegeven opdracht, zijn teruggeven aan de aangever. Aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep staat dit niet in de weg. Als namelijk het OM de inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander teruggeeft zonder eerst de beslagene op voet van art. 116 lid 3 Sv Pro van zijn voornemen daartoe in kennis te stellen, kan de beslagene desondanks klagen. Dat het beslag door de teruggave is geëindigd, staat daaraan niet in de weg. [1] In het verlengde daarvan lijkt te liggen dat de beslagene zijn recht niet verliest als de kennisgeving wel is gedaan, maar het OM de voorwerpen aan de ander teruggeeft voordat de afwijzende beschikking op het klaagschrift van de beslagene onherroepelijk is geworden. Het cassatieberoep van de beslagene is dan toch ontvankelijk. [2] Van een kennisgeving als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv Pro blijkt in de onderhavige zaak niet.

5.Het middel

5.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank het beklag van de klager ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, ongegrond heeft verklaard. Daartoe wordt allereerst aangevoerd dat onbegrijpelijk is dat de Rechtbank beoordeelt of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet, aangezien het OM zich op het standpunt heeft gesteld dat de bedoelde onderdelen kunnen worden teruggegeven aan de aangever. Voorts wordt aangevoerd dat onbegrijpelijk is dat verbeurdverklaring door de Rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk wordt geacht.
5.2.
De Rechtbank verwijst in haar beschikking naar hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 14 augustus 2012 houdt onder meer het volgende in:
“De officier van justitie verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende. Het kan niet uitgesloten worden dat de inbeslaggenomen goederen van diefstal afkomstig zijn, misschien is er enkel sprake van schuldheling, maar op dit moment is dat nog niet vast te stellen. De aangever heeft aangegeven dat de aan hem getoonde foto's onduidelijk zijn, niet dat het niet zijn kappen en buddyseat zijn. Strafvorderlijk belang verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen goederen nu niet reeds is uit te sluiten dat betreffende goederen van diefstal afkomstig zijn en het derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, betreffende goederen verbeurd zal verklaren.”
5.3.
Het middel berust op het juiste uitgangspunt dat, als het OM zich op het standpunt stelt dat het belang van de strafvordering zich niet tegen teruggave verzet, de Rechtbank aan dat oordeel gebonden is. Het gaat daarbij echter naar ik meen om het standpunt zoals het OM dat uiteindelijk in de beklagprocedure heeft ingenomen. Het OM kan anders gezegd op een aanvankelijk ingenomen standpunt terugkomen. Dat lijkt hier het geval te zijn geweest.
5.4.
De vraag is echter of een dergelijke frontverandering van het OM niet om een kritische opstelling van de Rechtbank vraagt. Die vraag klemt als de kennis van nu daarbij wordt betrokken. Uit de namens mij ingewonnen inlichtingen naar de ontvankelijkheid van het beroep blijkt immers dat de bewuste onderdelen al voor de behandeling in raadkamer aan de aangever waren teruggegeven. [3] Stelde de officier van justitie zich werkelijk op het standpunt dat die teruggave – even afgezien van de niet-naleving van art. 116 lid 3 Sv Pro – ten onrechte had plaatsgevonden? In elk geval maakt het voldongen feit van die teruggave dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring zal overgaan. Want zou het de aangever moeten zijn die overeenkomstig art. 34 lid 2 Sr Pro de voorwerpen moet uitleveren of de geschatte waarde ervan moet betalen?
5.5.
De officier van justitie lijkt bij de behandeling in raadkamer op twee moeilijk te verenigen gedachten te hinken. De officier van justitie lijkt enerzijds staande te willen houden dat de buddyseat en de kappen aan de aangever toebehoren. Dat de foto’s die de aangever zijn getoond onduidelijk zijn, zegt immers, zo is de strekking van zijn betoog, niet alles. Maar als de bedoelde onderdelen aan de aangever toebehoren, is verbeurdverklaring juridisch uitgesloten. Daarvoor is immers, op hier niet relevante uitzonderingen na, vereist dat de voorwerpen aan de verdachte toebehoren. Diezelfde tegenstrijdigheid kleeft het standpunt van de officier van justitie aan dat niet uit te sluiten valt dat de bedoelde onderdelen van diefstal afkomstig zijn. Dergelijke voorwerpen behoren noch aan de dief, noch aan de heler toe. Teruggave aan de rechthebbende of bewaring ten behoeve van de rechthebbende ligt dan ook in de rede.
5.6.
Een bevredigende verklaring voor de verandering van het standpunt van het OM levert hetgeen de officier van justitie in raadkamer aanvoerde, niet op. Misschien had dat de Rechtbank aanleiding moeten geven om de officier van justitie te vragen zijn standpuntbepaling te verduidelijken. In elk geval geldt dat het oordeel van de Rechtbank dat hetgeen de officier van justitie aanvoerde de conclusie rechtvaardigt dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet, niet begrijpelijk is. Dat de goederen mogelijk afkomstig zijn van diefstal maakt immers zoals gezegd juist dat verbeurdverklaring hoogst onwaarschijnlijk is. Als het middel welwillend wordt gelezen, klaagt het ook daarover.
6. Het middel slaagt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Zie HR 25 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8663, NJ 1991/ 823 m.nt. C., HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2480, NJ 1996/526 en HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ 1656, NJ 2007/147. Ingeval van grondverklaring van het beklag vertaalt het feit dat het beslaggoed prematuur is teruggegeven, zich in beginsel in een recht op schadevergoeding.
2.De bedoelde situatie deed zich voor in HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0207 (zie punt 3 van de eerste conclusie in deze zaak). De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep inhoudelijk.
3.Vgl. HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, NJ 2003/662 waarin de Hoge Raad op grond van door de A-G ingewonnen inlichtingen oordeelde dat het door de Rechtbank aan haar beslissing ten grondslag gelegde belang van de strafvordering niet meer bestond en om die reden ambtshalve casseerde. Voor ambtshalve cassatie is tegenwoordig wellicht geen ruimte meer, maar de ingewonnen inlichtingen zouden wel betrokken kunnen worden bij de beoordeling van het middel.