Conclusie
tweede middelklaagt tevergeefs dat het Hof in zijn arrest zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van het uitdrukkelijke onderbouwde standpunt van de verdediging dat de aangever en de getuigen op essentiële onderdelen niet eensluidend hebben verklaard omtrent het aantal maal dat verzoeker op de aangever zou hebben ingereden, de snelheid waarmee hij zou hebben gereden en tot welke afstand hij de aangever zou hebben genaderd. Het middel is een herhaling van hetgeen door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Het Hof is daarop in zijn bewijsoverweging uitvoerig ingegaan. Anders dan de steller van het middel meent, is de bewezenverklaring naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed en is de motivering van het Hof niet onbegrijpelijk. Ook het
derde middelklaagt tevergeefs dat het Hof zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat indien een aanmerkelijke kans wordt aangenomen, deze aanmerkelijke kans niet ziet op het intreden van de dood. Beide middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dat betekent dat het
eerste middel, dat enkel over schending van de redelijke termijn in cassatie klaagt, klaarblijkelijk niet voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.