ECLI:NL:PHR:2014:269

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2014
Publicatiedatum
9 april 2014
Zaaknummer
13/00222
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 81.1 ROArt. 342 SvArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak medeplegen opzettelijke overtreding Opiumwet

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet met betrekking tot een grote hoeveelheid drugs. Verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een werkstraf van 120 uren.

Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in met drie middelen. De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs dat het hof gebruikte niet uitsluitend gebaseerd is op één getuigenverklaring, maar op een breed scala aan bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van verdachte en getuigen, telefoongesprekken, sms-berichten en proces-verbalen.

De Hoge Raad wijst het eerste middel af omdat aan de bewijsminimumregel is voldaan. Het tweede middel faalt omdat verdachte geen alternatief scenario aannemelijk maakte dat het bewezenverklaring zou kunnen weerleggen. Het derde middel faalt omdat het hof de verklaring van verdachte niet onjuist heeft geïnterpreteerd.

De Hoge Raad ziet geen reden om ambtshalve te vernietigen en verwerpt het cassatieberoep. De zaak hangt samen met andere zaken tegen medeverdachten, waaronder een zaak waarin de vervolging werd beëindigd wegens overlijden van de verdachte.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van overtreding van de Opiumwet blijft in stand.

Conclusie

Nr. 13/00222
Zitting: 11 februari 2014
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 4 april 2012 de verdachte wegens “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (12/01780) en [medeverdachte 2] (12/02024), waarin ik heden eveneens concludeer. [1]
3. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.M. Stad, advocaat te Boxmeer, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het
eerste middelis kansloos, nu – anders dan de steller van het middel van mening is – aan de bewijsminimumregel zoals bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv is voldaan. Het Hof heeft immers het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan geenszins uitsluitend aangenomen op de verklaring van één getuige, maar allereerst in het arrest een overweging aan het bewijs gewijd en blijkens de aanvulling op het arrest de volgende bewijsmiddelen gebruikt: verklaringen van verdachte (nrs. 26 en 27), verklaringen van getuigen (nrs. 11 en 28), verslagen van telefoongesprekken (nrs. 2 t/m 7, 12 t/m 15, 18, 20 t/m 22, 24, 25), weergave van sms-berichten (nrs. 16,17 en 23), een proces-verbaal bevindingen (nr. 19), een proces-verbaal van testen en wegen (nr. 10) en een proces-verbaal van observatie (nr. 8). Ook overigens heeft het Hof de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen in combinatie met de in het arrest vervatte nadere bewijsoverweging kunnen afleiden.
5. Ook het
tweede middelfaalt, nu het Hof hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard geenszins behoefde op te vatten als een zogenaamd Meer en Vaart-verweer (dan wel enig ander uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv). De verdachte heeft immers niet een met de bewezenverklaring onverenigbare, maar door de bewijsmiddelen niet uitgesloten alternatief scenario naar voren gebracht, maar slecht een mogelijkheid geopperd (“Misschien moest ik toen een auto-onderdeel ophalen”).
6. Het
derde middelfaalt eveneens, nu het Hof de in het middel bedoelde verklaring van de verdachte geenszins heeft gedenatureerd. Dat de verdachte zich niet meer kan herinneren waarom hij op 6 november 2008 voor [betrokkene 1] bij [betrokkene 2] is geweest, maakt niet dat het Hof aan bedoelde verklaring een wezenlijk andere betekenis heeft toegekend. Daar komt bij dat bedoelde verklaring in ieder geval in zoverre redengevend voor het bewijs is, dat de verdachte beide bedoelde personen kende en op de bewezenverklaarde datum voor de één bij de ander is geweest.
7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De onderhavige zaak hangt eveneens samen met de zaak tegen [medeverdachte 3] (13/00223) waarin de Hoge Raad bij arrest van 2 april 2013 de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging wegens het overlijden van de verdachte op 11 november 2012.