Conclusie
eerste middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
tweede middelklaagt dat het Hof “ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de stemherkenning voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl die stemherkenning het rechtstreeks resultaat was van het verhoor dat in strijd met de Salduz-jurisprudentie zonder voorafgaand(e) (aanbod van) bijstand van een raadsman werd afgenomen, hebbende het Hof het daartegen gerichte verweer op onjuiste althans ontoereikende gronden verworpen”.
B.
derde middelkomt op tegen de bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Volgens de steller van het middel kan uit geen enkel door het Hof gebezigd bewijsmiddel volgen dat er op of omstreeks 20 juli 2008 door de verdachte hennepstekken zijn vervoerd of afgeleverd, ook niet tezamen en in vereniging met wie dan ook.