ECLI:NL:PHR:2014:2771

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2014
Publicatiedatum
22 januari 2015
Zaaknummer
14/03009
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 27 SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte was door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van een feit onder de Opiumwet. Tegen dit vonnis stelde de verdachte beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet binnen twee maanden na betekening van de aanzegging een schriftuur houdende middelen van cassatie worden ingediend door een raadsman. De aanzegging was op 3 juli 2014 betekend. Binnen deze termijn werd echter geen schriftuur ingediend.

Daarom heeft de Procureur-Generaal geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld omdat niet aan de formele vereisten is voldaan.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 14/03009
Zitting: 2 december 2014
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 12 november 2013 door het Gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden en bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met ene proeftijd van 2 jaren.
Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (14/00125), [medeverdachte 2] (14/01250) en [medeverdachte 4] (14/03005) waarin heden eveneens conclusie wordt genomen.
De verdachte heeft op 22 november 2013 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 3 juli 2014 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG