Conclusie
Feiten en procesverloop
Inleidende opmerkingen
Bespreking van de klachten
de onderdelen 1 en 2niet tot cassatie leiden voor zover zij uitgaan van het gezag van gewijsde van het arbitrale vonnis tussen de provincie en de curator van [B]. Het vonnis heeft op de voet van art. 1059 en Pro art. 236 lid 1 Rv Pro alleen bindende kracht tussen partijen. Uit het arrest van het hof blijkt ook niet dat aan gezag van gewijsde is gedacht, zodat de klachten in zoverre feitelijke grondslag missen. Waarom het hof van oordeel is dat de provincie niet aan de beslissing van arbiters gebonden is, blijkt overigens ook niet. De onderdelen betogen evenwel met juistheid dat uit het arbitrale vonnis blijkt dat de provincie een geslaagd beroep op verrekening heeft gedaan met haar vordering uit de hoofde van de bankgarantie. Die vordering is dus tot het beloop van de tegenvordering van [B] tenietgegaan. Voor zover het beroep op verrekening is aanvaard (of geslaagd), moet worden aangenomen dat de provincie niet kan zijn verarmd. In zoverre treffen de onderdelen doel.
onderdeel 3mij gegrond.
Onderdeel 4is ingesteld voor zover in het tweede deel van deze zin het woordje ‘niet’ is weggevallen en het hof heeft bedoeld te overwegen dat de curator niet ‘de stelling [heeft] betrokken dat de schadevorderingen
nietmet de vordering van [B] zijn verrekend.’ Volgens de curator is deze overweging, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Hij stelt onder verwijzing naar zijn memorie van grieven onder 33 en zijn pleitnotities in hoger beroep op pagina 12 en 13 dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de vordering van [B] is betaald door middel van verrekening met de vordering van de provincie uit hoofde van de betaling aan Fortis Bank. Daaruit volgt dat de vordering van [B] volgens de curator niet is verrekend met de schadevorderingen waarop het hof het oog heeft.
nietmet de vordering van [B] zijn verrekend.’ Bij die lezing slaagt de klacht en kan het bestreden arrest niet in stand blijven. De overweging is dan inderdaad onbegrijpelijk, omdat de curator zich op het standpunt heeft gesteld dat de vordering van [B] is betaald door middel van verrekening met de vordering van de provincie uit hoofde van de betaling aan Fortis Bank. Dat standpunt impliceert dat de vordering van [B] volgens de curator niet is verrekend met de schadevorderingen waarop het hof het oog heeft.