ECLI:NL:PHR:2014:2796

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2014
Publicatiedatum
27 januari 2015
Zaaknummer
14/00138
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 437 SvArt. 588, eerste lid, onder b, sub 3º, Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens ontbreken schriftuur in cassatie

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 in verband met een ongeval waarbij lichamelijk letsel werd toegebracht. De opgelegde straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. De aanzegging van het cassatieberoep werd rechtsgeldig betekend aan de griffier van de Rechtbank te ’s-Gravenhage en aan de raadsman van de verdachte, ondanks dat de verdachte zelf geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had.

Echter heeft de verdachte binnen de wettelijke termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 437, tweede lid, Sv, en kan de verdachte niet in cassatie worden ontvangen.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.

Conclusie

Nr. 14/00138
Zitting: 25 november 2014
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 20 december 2013 de verdachte wegens primair “overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Deze zaak hangt in administratief opzicht samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (nr. 14/00081) en [medeverdachte 2] (nr. 14/01778), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging in cassatie is op 24 april 2014 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te ’s-Gravenhage, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Daarbij is voldaan aan de zogenaamde VIP-controle. De ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 24 april 2014 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij niet stond ingeschreven in de GBA (met ingang van 2 mei 2013 vertrokken onbekend waarheen), terwijl uit de stukken van het geding niet blijkt dat van hem een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland dan wel een adres in het buitenland bekend was. De cassatie-akte vermeldt als adres van de verdachte eveneens “thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”. Bovendien is op 24 april 2014 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. art. 588, eerste lid, onder b, sub 3º, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG