Conclusie
2.Het bestreden arrest
TMF). Van misleiding zal met name sprake kunnen zijn indien de mededeling onjuist of onvolledig is. De feitelijke vaststelling dat sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling brengt echter nog niet mee dat deze ook misleidend is. Daartoe is nodig dat de mededeling de maatman misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter zijn economische gedrag kan beïnvloeden. Een mededeling kan daarom pas als misleidend worden gekwalificeerd indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de onjuistheid of onvolledigheid van materieel belang is voor de beslissing van de maatman om al dan niet tot de desbetreffende rechtshandeling (hier: deelname aan de staatsloterij, het sluiten van de loterijovereenkomst) over te gaan. In dat geval is immers redelijkerwijs aannemelijk dat de onjuistheid of onvolledigheid het economisch gedrag van de maatman kan beïnvloeden. Het gaat er dus om dat de onjuistheid of onvolledigheid van voldoende materieel belang is om de maatman te misleiden en of de mededeling op zichzelf beschouwd een misleidend karakter heeft Zie voor dit een en ander: HR 27 november 2009, LJN:BH2162
'VEB-WOL c.s. '.
juistzijn en dat zij geen onjuiste mededelingen heeft gedaan over het aantal prijzen dat per trekking was gevallen.
misleidingin de zin van art. 6:194 (oud) BW opleveren, (a) omdat daarmee onjuiste/onvolledige informatie over de winkansen werd verschaft en (b) het publiek (mede) hierdoor werd bewogen tot het aanschaffen van staatsloten. Staatsloterij betwistte dit (rov. 4.7). De elementen van deze betwisting beoordeelt en verwerpt het hof in rov. 4.8-4.17.
winkansen(4.9-4.13).
materieel belangis, omdat het in beide gevallen gaat om minuscuul kleine kansen van 0,00000667% respectievelijk 0,000000953% (rov. 4.14). Het overweegt:
En door zeg maar 20 kansen te bieden en daar uiteindelijk gemiddeld he, 4 uit te keren, en daarmee maak je natuurlijk je loterij zo aantrekkelijk mogelijk'.
belanghad bij vordering A, omdat deelnemers hooguit een minuscule kans op winst hebben gemist en de schade per deelnemer daardoor (nagenoeg) nihil (een fractie van een eurocent) is:
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
[i]n het algemeen mag worden verwacht dat prijzen in een loterij worden getrokken uit de verkochte loten” en de volgens het middel materieel gelijkluidende overwegingen in rov. 4.11, vierde volzin (“
Het ligt in het algemeen voor de hand dat de prijzen worden getrokken uit het aantal verkochte loten, en niet uit een veel groter ‘universum’.”) en in rov. 4.8, vierde volzin (“
het publiek wist noch kon weten dat ook uit niet verkochte loten werd getrokken”).
nr. 8heeft het hof daarbij de essentiële en onbetwiste stellingen gepasseerd dat (i) de BankGiroLoterij en de Postcodeloterij ook trokken uit een groter universum van loten dan de verkochte loten, zodat hetgeen Staatsloterij deed, in loterijland, en overigens ook in internationaal perspectief, volstrekt gebruikelijk was en is en (ii) de Minister van Justitie in antwoord op Kamervragen naar aanleiding van de onderhavige procedure heeft opgemerkt dat een dergelijke praktijk niet ongebruikelijk is bij loterijen en ook niet in strijd met de geldende regelgeving, [15] terwijl het oordeel van het hof daarom ook zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
nr. 9veronderstelt dat het hof van oordeel was dat het aan de hiervoor genoemde stellingen voorbij kon gaan omdat de bestreden overwegingen steun vinden in uitlatingen van een woordvoerder van Staatsloterij in het Tros Radarinterview. Deze veronderstelling mist feitelijke grondslag, zoals uit het voorgaande blijkt, zodat de daarop gebaseerde klacht faalt.
nr. 10ten slotte veronderstelt dat het hof de bestreden overwegingen als feit van algemene bekendheid c.q. als algemene ervaringsregel heeft aangenomen. Ook deze veronderstelling mist feitelijke grondslag, zoals uit het bij 3.5 opgemerkte blijkt, zodat de daarop gebaseerde klacht faalt.
subonderdelen I.2 en I.3betreffen rov. 4.11. Subonderdeel I.2 bestrijdt in het bijzonder het oordeel in rov. 4.11, derde volzin, dat de gemiddelde consument zich
überhaupteen voorstelling zal hebben gemaakt van het aantal loten waaruit werd getrokken. [16] Subonderdeel I.3 betreft het oordeel in de zesde t/m negende volzin omtrent het aantal per trekking verkochte loten, in het bijzonder het aantal van 3 miljoen. [17] De subonderdelen lenen zich deels voor gezamenlijke behandeling.
nr. 13) en, kort gezegd, van het aantal verkochte loten per trekking (
nr. 17); dit zou in de stellingen van partijen ook niet besloten liggen. Deze klachten falen naar mijn mening. Ik licht dat hieronder toe, waarbij ik ook aangeef waarom de klachten van subonderdeel I.2 in de
nrs. 14 en 15en van subonderdeel I.3 in de
nrs. 18-19en in de
nrs. 20-22mijns inziens niet slagen.
ofdeelnemers al dan niet een voorstelling van de winkansen hadden, was onderdeel van het debat.
heeft kunnen maken. Echter noch op basis van de mededelingen over het prijzenpakket, noch op basis van de trekkingsuitslagen kan een winkans van de grote prijzen worden afgeleid. De consument kent noch kende het totaal aantal loten in het universum, evenmin als het aantal verkochte loten per trekking. Slechts als hij dat zou weten, zou de consument op basis van een wiskundige formule zijn winkans hebben kunnen berekenen. Dat is op zich al een te hoge drempel waarover een gemiddeld geïnformeerde consument al niet heen zal komen.”
datde deelnemers een (globale) voorstelling van de winkansen hadden, en wel aan de hand van het aantal (verkochte) loten waaruit getrokken zou worden.
nr. 13aanvoert, heeft het hof dus niet art. 24 of Pro 149 Rv geschonden door te oordelen dat de gemiddelde consument zich een voorstelling zal maken van het aantal loten waaruit wordt getrokken. Het hof kon aan de hand van het partijdebat tot deze conclusie komen.
nr. 15veronderstelt dat het hof een feit van algemene bekendheid of algemene ervaringsregel heeft aangenomen.
nr. 14. De veronderstelling dat het oordeel erop berust dat Staatsloterij geen specifieke informatie heeft verschaft wordt door het middel t.a.p. zelf, terecht, al teruggenomen. Dit aspect haakt immers alleen aan op het oordeel dat het gaat om een
globalevoorstelling. Uit het oordeel wordt voorts wel duidelijk, anders dan het subonderdeel aanvoert, dat en waarom de gemiddelde consument zich
überhaupteen voorstelling maakt van het aantal loten waaruit wordt getrokken. Anders dan het middel t.a.p. betoogt, is dit niet onbegrijpelijk in het licht van de overweging dat de consument zich geen voorstelling maakt van de precieze winkans maar, kort gezegd, ‘afgaat op zijn gevoel’. Subonderdeel I.2 is hiermee behandeld. Ik stap nu over op subonderdeel I.3.
welkeglobale voorstelling de gemiddelde consument had over het − voor de (‘gevoelde’) winkans relevante gegeven van het − aantal (verkochte) loten waaruit zou worden getrokken.
de winkanszijn verstrekt, zo meen ik het hof te mogen begrijpen. In dat hypothetische geval zou weliswaar het oordeel in rov. 4.6 nog overeind blijven staan, maar zou het misleidende karakter ervan, gezien het in rov. 4.7 weergegeven betoog van Loterijverlies waarvan onjuiste/onvolledige mededelingen over de winkans deel uitmaken, ontbreken.
nrs. 17-19.
nrs. 20-22.
nrs, 17 en 21dan ook te falen.
Nr. 17bevat ook de klacht dat het hof in strijd met art. 149 Rv Pro de feiten heeft aangevuld door (a) te overwegen dat de gemiddelde consument ervan zal zijn uitgegaan dat een tamelijk groot deel van de Nederlandse bevolking een staatslot kocht (etc.) en (b) op basis daarvan het aantal van 1 tot 7 miljoen loten te beredeneren. Deze klacht faalt, omdat het hof het onder (a) vermelde zelfstandig kan vaststellen nu dit ziet op hetgeen waarvan de gemiddelde consument zal zijn uitgegaan. Voor zover het hof in dit verband ook een feit van algemene bekendheid in zijn beoordeling heeft betrokken, komt mij dat, anders dan de klacht in
nr. 19aanvoert, niet onjuist of onbegrijpelijk voort. Het onder (b) vermelde heeft het hof vervolgens zelfstandig uit het onder (a) vermelde kunnen afleiden. Het middel klaagt niet dat het hof bij een en ander ongemotiveerd is voorbij gegaan aan stellingen van partijen op dit punt.
nr. 18aanvoert, behoefde het hof beide overwegingen niet nader te motiveren, in het bijzonder geldt dat ook voor de exacte kwantitatieve inschatting van het hof. De klacht aan het slot van nr. 18 herhaalt een van de klachten van nr. 14 en kwam bij 3.14 al aan bod.
nr. 20betoogt geen nieuwe grief valt te lezen.
nr. 22. De opstelling van Staatsloterij op dit punt kan op verschillende manieren worden geduid. Inderdaad is denkbaar dat deze wordt beschouwd als een betwisting (bij gebrek aan wetenschap) van het aantal van 3 miljoen, zoals het middel aanvoert. Maar de kwalificatie ervan door het hof is mijns inziens ook denkbaar, waarbij ik meeweeg dat het ging om een vraag die lag in het verlengde van het partijdebat. Onbegrijpelijk zou ik de kwalificatie van ‘niet-betwisting’ daarom niet willen noemen. Voor de beoordeling van het onderdeel I.3 maakt dit overigens naar mijn mening geen verschil (zie bij 3.17).
subonderdeel II.1heeft het hof in rov. 4.7, 4.10 en 4.14-4.17 en 5.1 miskend dat het bij de beantwoording van de vraag of Loterijverlies voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de onjuistheid of onvolledigheid van voldoende materieel belang was om de (aankoop)beslissing van de gemiddelde consument te beïnvloeden, rekening moet houden met alle relevante omstandigheden van het geval (
nr. 26).
nr. 27).
subonderdeel II.2heeft het hof de in rov. 3.1 verwoorde maatstaf in zijn bestreden overwegingen ten onrechte niet (kenbaar) toegepast, omdat het miskent dat het criterium van "voldoende materieel belang" een drempel meebrengt, in de zin dat niet elke onjuistheid of onvolledigheid misleidend zal zijn in de zin van art. 6:194 (oud) BW, maar dat die onjuistheid of onvolledigheid van voldoende materieel belang dient te zijn om het economische gedrag van de gemiddelde consument te kunnen beïnvloeden, of anders gezegd dat een aanzienlijk aantal consumenten van de aankoopbeslissing zou dienen te hebben afgezien bij bekendheid met de omstandigheid die in de mededeling verholen was (
nr. 29). [30]
nr. 30zijn de overwegingen over het gevoel van de gemiddelde consument in rov. 4.15, vijfde t/m achtste volzin, onjuist althans onbegrijpelijk.
eenkans om prijzen te winnen, staat dat niet in de weg aan de overweging dat de aankoopbeslissing ook (mede) wordt bepaald door het gevoel van de gemiddelde consument over de winkans op een hoge geldprijs (blijkens rov. 4.10 t/m 4.15 gaat het om
dieprijzen). Het een sluit het ander niet uit. Het feit dat het gaat om minuscule kansen op een hoge prijs heeft het hof verdisconteerd en daarbij aangegeven waarom desalniettemin de consument een positiever gevoel heeft bij een loterij met 20 (hoge) prijzen/winnaars uit 3 miljoen loten dan uit 18-21 miljoen loten. Het betoog van Staatsloterij in haar s.t. nrs. 27-28 gaat mijns inziens aan dat laatste voorbij.
nr. 31zijn de overwegingen in rov. 4.15, negende t/m dertiende volzin, onjuist althans onbegrijpelijk. Het hof verwerpt het aan de verkoopcijfers ontleende verweer van Staatsloterij, dat de onjuiste/onvolledige mededelingen niet van invloed waren op de deelname-beslissing van de gemiddelde consument. Het hof wijst erop dat de opmerking van [betrokkene] “buiten twijfel stelt dat die invloed wel degelijk bestond”. Daartegen worden door het middel drie argumenten aangevoerd.
nr. 32ten slotte nog een klacht tegen het oordeel in rov. 5.1. Deze overweging is volgens de klacht onjuist althans onbegrijpelijk omdat het hof daarin niets overweegt over het materieel belang van de onjuistheid/onvolledigheid van de mededelingen over de hoogte van de prijzen van de Koninginnedagloterij 2008.
subonderdeel III.2twee motiveringsklachten tegen rov. 4.18 (
nr. 42). Volgens de eerste klacht is onbegrijpelijk dat het hof spreekt van een "aanzienlijk” deel van de consumenten, omdat uit het arrest niet valt af te leiden hoe het hof aan deze kwantificatie komt. Deze klacht stuit mijns inziens af op rov. 4.10 en 4.15. Daarin oordeelt het hof, kort gezegd, dat de winkans op een hoge geldprijs voor de gemiddelde consument “een belangrijke drijfveer is om mee te doen aan de staatsloterij” (rov. 4.10), dat de gemiddelde consument bij de gecommuniceerde winkans een “aanzienlijk positiever” gevoel heeft dan bij de werkelijke winkans, dat een loterij met de gecommuniceerde winkans “voor het publiek aantrekkelijker is” en dat de mededelingen van Staatsloterij “van materieel belang waren” (rov. 4.15). Hieruit blijkt voldoende waarom het hof in rov. 4.18 vervolgens spreekt van een "aanzienlijk” deel van de consumenten. Het is een manier om de materialiteit tot uitdrukking te brengen (zie bij 3.24). [35] Onbegrijpelijk is een en ander niet. Het middel wijst verder niet op een specifiek partijdebat over het deel (percentage) van de consumenten dat zich al dan niet door de winkans laat beïnvloeden, waaraan het hof nog aandacht zou hebben moeten besteden.
ceteris paribus, wanneer Staatsloterij juiste en volledige mededelingen zou hebben gedaan.
nr. 34).
nr. 36).
nr. 39vanuit dat het hof de bestreden overweging slechts gegeven heeft als onderdeel van zijn toetsing of het beroep op ontbreken van voldoende belang (in de zin van art. 3:303 BW Pro) slaagt, en dat het hof met deze overweging slechts heeft gemotiveerd waarom naar zijn oordeel Loterijverlies voldoende belang heeft bij haar vordering - een oordeel waar Staatsloterij in cassatie niet tegen op komt - maar dat het hof met deze overweging niet vooruit is gelopen op de vaststelling van (het bestaan en omvang van) causaal verband en schade in eventueel opvolgende procedures. Ook Loterijverlies meent dat het hof slechts de validiteit van het beroep op art. 3:303 BW Pro beoordeeld (s.t. nr. 51). Deze lezing is volgens mij juist. De klachten van
subonderdeel III.1in de
nrs. 40-41, die zijn geformuleerd voor het geval van deze overweging anders gelezen moeten worden, falen dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
onderdeel 1miskent het hof met dit oordeel dat art. 8 lid 2 WoK Pro jo. art 7 Beschikking Pro Staatsloterij met zich brengt dat per trekking ten minste 60% van de door de deelnemers betaalde inleg aan prijzen wordt uitgeloofd, en wel om drie redenen:
Wet tot regeling der staatsloterij van 1885(Stb. 1885, 142). Volgens deze wet waren er maximaal drie loterijen per jaar en bestond iedere loterij uit maximaal 21.000 loten (art. 2). Binnen deze grenzen kon de Minister van Financiën bij besluit nadere regels stellen over onder meer het aantal loten waaruit elke loterij bestaat, de wijze waarop de trekking plaats heeft en het aantal en de hoegrootheid van de prijzen en premiën (art. 22). De loten werden in verschillende klassen tegen bij wet bepaalde bedragen uitgegeven aan collecteurs. Deze verkochten vervolgens (rechtstreeks of via debitanten) de loten (of aandelen daarin) aan het publiek voor eveneens bij wet bepaalde bedragen (art. 3, 4 en 7).
Loterijwet in 1950, waarbij een nieuwe Titel II “Staatsloterij” werd ingevoerd (Stb. 1950, 619; bij Besluit van 9 april 1951, Stb. 1951, 105, in werking getreden op 15 april 1951). Volgens deze wet waren er maximaal vier loterijen per jaar en bestond iedere loterij uit maximaal vier series van 21.000 loten. De trekking was verdeeld in hoogstens vijf klassen. Met inachtneming van deze maxima werden de aantallen der loterijen, series en klassen door de Minister van Financiën vastgesteld (art. 7). De systematiek van de uitgifte via collecteurs en dergelijke beleef verder in de kern ongewijzigd (zie bijvoorbeeld art. 9 en Pro 11).
Nederlandse Staatscourantopenbaar te maken plan.”
1964werd de
Wet op de Kansspelen(WoK) ingevoerd (Stb. 1964/483). Het systeem van de Staatsloterij bleef in grote lijnen ongewijzigd maar werd op onderdelen aangepast met het oog op modernisering, vereenvoudiging en kostenbesparing. Volgens deze wet waren er maximaal zes loterijen per jaar en bestond iedere loterij uit maximaal vijf series van 100.000 loten. Deze verruiming van de maxima werd voorgesteld om tegemoet te kunnen blijven komen aan de vraag. In dat verband is opgemerkt dat de lotenuitgifte van loterij tot loterij aan de vraag wordt aangepast [51] en dat de totale lotenuitgifte iets beneden de verwachte vraag wordt vastgesteld. [52]
1967(Wet van 15 februari 1967, Stb. 108) is de beperking van het aantal per loterij uit te geven series komen te vervallen, om tegemoet te kunnen komen aan de steeds stijgende vraag, die groter bleek dan in 1964 was verwacht. Daarbij bleef het voornemen om “het aantal per loterij uit te geven loten slechts op te voeren naarmate de behoefte daaraan duidelijk aanwezig blijkt te zijn.” [56] Deze wijziging, die verder niet veel discussie opriep, is naar mijn mening voor de onderhavige zaak van belang. Het vervallen van de beperking van het aantal per loterij uit te geven series impliceerde immers, dat het aantal loten niet langer aan een maximum gebonden zou zijn (ook lag het aantal loterijen per jaar en het aantal loten per serie nog wel vast).
1973“a. volgens de wet wordt ten minste twee-derde (in de praktijk 70 pct.) van de door de deelnemers betaalde bedragen aan prijzen uitgekeerd.” [57]
1977diende de Staatssecretaris een wijzigingsvoorstel in dat er vooral toe strekte om de rechtspositie van de lotenverkopers – een heikel onderwerp bij vele wijzigingen van de regelgeving omtrent de Staatsloterij − te verduidelijken en te verbeteren. Het voorstel is uiteindelijk ingetrokken. Artikel 10 lid 2 van Pro dit voorstel, dat volgens de Staatssecretaris geen wijziging bracht in het prijzenminimum uit art. 8 WoK Pro 1964, [58] luidde: “2.
Tenminste tweederde gedeelte van de verkoopprijs van alle series in elke loterij wordt aan prijzen uitgeloofd.”.
Wet Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (SENS)(Stb. 1992/282) kwam art. 8 WoK Pro als volgt te luiden:
strevennaar behalen van het minimumuitkeringspercentage per loterij en dat de toezichthouder daarbij een rol speelt. [64] Zij meent echter dat zij die niet behoeft te garanderen.
“loterij” of
“loterijen” worden aangeduid.”