Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof het verweer dat onrechtmatig is binnengetreden in het pand aan de [a-straat] te Heerhugowaard en dat daarom bewijsuitsluiting moet volgen, ten onrechte en ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
tweede middelbezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het onder 3 en 8 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van art. 310 Sr Pro.
derde middelklaagt dat het Hof niet heeft gereageerd op het verweer dat bij het onder 4 bewezenverklaarde sprake is van een voortgezette handeling als bedoeld in art. 56 Sr Pro.
vierde middelklaagt over de strafmotivering.
in zijn verdedigingis geschaad, en dat het Hof daarom niet gehouden was tot een respons. Maar ook wanneer daarover anders wordt gedacht, leidt het middel niet tot het gewenste doel. Het oordeel van het Hof dat hetgeen is aangevoerd niet hoeft te leiden tot de sanctie van strafvermindering geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
vijfde middelwordt gepresenteerd stelt slechts dat het Hof niet heeft gerespondeerd op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als aangegeven op onderdelen in de pleitnota en die zouden zien op aspecten die naar het oordeel van de verdediging bij de strafmotivering in aanmerking moeten worden genomen. Mede gezien die onderdelen in de pleitnota, acht ik het in dit verband in de schriftuur aangevoerde niet een cassatiemiddel in de zin der wet, nu niet duidelijk en precies is uiteengezet waaruit de gestelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten bestaan.