Conclusie
eerste middelklaagt over de schending van de redelijke termijn in cassatie. Tegen het arrest van het Hof is op 12 december 2012 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 24 oktober 2013. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden met ruim twee maanden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep, behoort niet meer tot de mogelijkheden.
(eerste) tweede middelklaagt over de verwerping van het in hoger beroep gevoerde (bewijs)verweer ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit.
(tweede) tweedemiddel keert zich met twee klachten tegen het onder 4 bewezenverklaarde feit. De eerste klacht luidt dat het Hof art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet heeft nageleefd. De tweede klacht houdt in dat het tenlastegelegde “meermalen tezamen en in vereniging met anderen” slechts kan worden afgeleid uit de verklaring van één getuige.
derde middelklaagt dat het Hof, in weerwil van een gevoerd verweer, ten onrechte de verklaring van [getuige 1] als getuige voor het bewijs van feit 8 heeft gebezigd.
vierde middelklaagt dat het Hof niet heeft gerespondeerd op een, wat de steller van het middel noemt, uitdrukkelijk gevoerd verweer met betrekking tot de strafoplegging. Hetgeen te dezen is aangevoerd - “rekening te houden” met het tijdsverloop in deze zaak - haalt bij lange na niet de drempel of bodem van wat wordt bedoeld met een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv.