Conclusie
1.Feitenen procesverloop
“een redelijke aflossing van in totaal € 200,- per maand”(rov. 5.20).
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
middelen Ien
IIIlenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
“zonder nadere motivering en op ondeugdelijke gronden (…) heeft aangenomen dat de schulden tot de boedel behoren.”Deze klacht wordt verder uitgewerkt met het betoog dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het, zonder door te vragen, heeft aangenomen dat er niet bijvoorbeeld drie familieleden waren, die in contanten het leenbedrag ter beschikking wilden stellen, en één niet. Het hof heeft nagelaten meer bewijzen te vragen omtrent de leenovereenkomsten. Uit e-mailverkeer was volgens het middel voor het hof af te leiden dat, zoals ook de vrouw heeft gesteld, de leenovereenkomsten eerst na de eerste terechtzitting bij de rechtbank zijn opgesteld om de draagkracht neerwaarts bij te stellen. Het hof heeft het bewijsaanbod van de man (mogelijk is hier bedoeld: de vrouw) op onjuiste en niet nader gemotiveerde gronden gepasseerd. Dit alles vormt, nog steeds volgens het middel, een
“groot motiveringsgebrek”waardoor
“het oordeel dat de schulden de facto existeren, niet in stand (kan) blijven.”Het middel vervolgt, in lijn met de klacht die reeds in de aanhef van het middel is geponeerd [6] :
prod. 3)), dat er veel contant betaald is.
middel I, aanhef, bezien in samenhang met de uitwerking daarvan, kan mijns inziens niet anders worden begrepen dan dat het middel klaagt over een oordeel dat het hof in de bestreden beschikking niet heeft gegeven. Het hof heeft in rov. 5.20 noch elders in de beschikking geoordeeld dat de schulden ten bedrage van € 27.000,- in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. Of dat laatste al dan niet het geval is, is voor de vaststelling van het bedrag dat de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de dochter] dient bij te dragen en/of voor de vaststelling van de bijdrage die de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw dient te leveren, ook niet relevant. Slechts van belang is dat, zoals door het hof is gedaan, wordt vastgesteld welke de invloed is van voornoemde schuld op de draagkracht van de man. Aldus beschouwd kan
middel Iwegens het ontbreken van feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
“als een slag in de lucht”. Het middel vervolgt [7] :
“een slag in de lucht”te typeren, maar waarom dit voor een lagere aflossing dan € 200,- per maand anders zou zijn, wordt door het middel niet verduidelijkt. Bij die stand van zaken kan de motiveringsklacht niet tot cassatie leiden.
middelen IVen
Vrichten zich tegen rov. 5.22:
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
onderdeel 2.1in het bijzonder gericht tegen rov. 5.20, dat hiervóór (onder 2.1) reeds is geciteerd, en tegen de daarop voortbouwende rov. 5.22, 6.1 en 8.
onderdelen 2.1.1en
2.1.2dat het hof heeft miskend dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht van de onderhoudsplichtige en dat voor het in aanmerking nemen van een schuld niet is vereist dat daarop wordt afgelost. Zo het hof zulks niet zou hebben miskend, heeft het volgens die onderdelen in ieder geval onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt [13] .
onderdelen 2.1.4en
2.1.5lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. De onderdelen klagen dat het hof de man ertoe dwingt wanprestatie te plegen en dat het beginsel
pacta sunt servandaten onrechte niet wordt toegepast in de verhouding tot familie en vrienden.