Conclusie
Feiten en procesverloop
- een vordering van verzoekster tot cassatie onder 1 (hierna: SNS PF) op [verweerder] ter grootte van € 22.366.979,77;
- aan de Rabobank verpande vorderingen van EH op [verweerder] ter grootte van € 7.180.395,-;
- vorderingen van [A] Holding B.V. en van de FGH Bank N.V. op [verweerder] ter grootte van € 48.217.221,- respectievelijk € 28.000.000,- op [verweerder];
- een vordering van de belastingdienst op [verweerder] ter grootte van € 12.460.687,-.
( [2] )
( [3] )
( [4] )Hij heeft verklaard dat het faillissement van [verweerder] een atypisch faillissement is en dat de toegevoegde waarde van een crediteurencommissie erin kan zijn gelegen dat de crediteuren invloed kunnen uitoefenen op de afwikkeling van het faillissement. Hij heeft verder verklaard dat het niet zo mag zijn dat de crediteurencommissie wordt gebruikt als middel om het faillissement te beïnvloeden en dat de voorgestelde samenstelling van de commissie eenzijdig is.
( [5] )
( [6] )[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [7] )
( [8] )
( [9] )
thans, d.w.z. ten tijde van het geven van de beschikking, geen aanleiding geven een crediteurencommissie in te stellen. Een onderbouwing daarvoor geeft de rechtbank in de tweede alinea van rov. 7.2 en in de rov. 7.3 t/m 7.5. Zij laat zich als volgt samenvatten.
kanovergaan. De rechtbank is dus in genoemde situatie niet zonder meer verplicht om tot die benoeming over te gaan of, anders gezegd, de bij een faillissement betrokken crediteuren hebben in genoemde situatie niet zonder meer een recht op benoeming van een crediteurencommissie. De formulering van artikel 74 lid 1 BW Pro geeft de rechtbank de ruimte om in genoemde situatie bij het besluit om al dan niet tot benoeming van een crediteurencommissie over te gaan met nog meer factoren rekening te houden, waaronder factoren die uiteindelijk leiden tot het besluit om toch niet tot benoeming van een crediteurencommissie over te gaan. Intussen zal, nu een faillissement de bij dat faillissement betrokken crediteuren in hun belang treft en het bij de afwikkeling van het faillissement vooral gaat om de behartiging van de belangen van de door het faillissement getroffen crediteuren, aan het beschikbaar zijn en stellen door crediteuren van specifieke kennis en ervaring die van nut kunnen zijn bij de behartiging van de belangen van de door het faillissement getroffen crediteuren, toch bepaald gewicht dienen te worden toegekend bij het nemen een besluit inzake een verzoek tot benoeming van een crediteuren-commissie. Dit brengt mee dat de beslissing om het verzoek om benoeming van een crediteurencommissie ondanks de aanwezigheid en beschikbaarheid van bedoelde specifie-ke kennis en ervaring en het vermogen om onderzoek op internationaal vlak te doen naar verhaalsmogelijkheden niet te honoreren van een passende motivering dient te worden voorzien.
“Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. HR 10 november 2006, LJN AY8290, NJ 2007,/45).”( [10] )Hoewel de derde, aan de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg gewijde titel van het WvBRv niet van toepassing is op verzoekschriftprocedures onder de Faillissementswet – zie artikel 362 lid 2 Fw Pro –, lijkt dat niet eraan in de weg te staan om deze algemene richtlijn voor de bepaling wie in een verzoekschriftprocedure als belanghebbende is aan te merken ook hier toe te passen.