Conclusie
1.[eiser 1],
[eiseres 2]
al medio 2007in beeld waren als mogelijke koper.
als zij uit elkaar zouden gaan omdat [eiser] Habitura, die hem in 2005 had geholpen om aan dreigende executie door de Rabobank te ontkomen, "niet meer nodig" had, [eiser] aan Habitura een substantieel bedrag wegens "
gederfde projectwinst" verschuldigdzou zijn. Partijen hebben deze gederfde projectwinst kennelijk gefixeerd op een forfaitair bedrag van € 200.000,-.
wat dit betreft materieel niet verschiltvan de situatie die er zou zijn geweest als [eiser], in verband met de voorgenomen verkoop aan [C], de overeenkomst contractueel vóór 30 juni 2007 had ontbonden, in welk geval hij Habitura € 200.000,- had moeten betalen, acht het hof het niet in overeenstemming met het te goeder trouw uitvoeren van de overeenkomst dat [eiser] aan Habitura in de situatie zoals die zich heeft voorgedaan, niets verschuldigd zou zijn wegens "gederfde projectwinst".
Het door partijen daarvoor overeengekomen bedragstaat, zoals overwogen, los van de vraag welke inspanningen voor de landgoedontwikkeling Habitura heeft gepleegd of op welk bedrag de gederfde projectwinst concreet zou moeten worden becijferd.”
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
eerste onderdeeldat het hof nu eenmaal niet vastgesteld heeft en dat ook niet gesteld is dat partijen er tevens van zouden zijn uitgegaan dat [eiser] dit bedrag óók aan Habitura verschuldigd zou zijn ingeval van ontbinding van de overeenkomst wegens een tekortschieten van Habitura. Nu partijen niet uit elkaar gaan om de reden dat de ene partij haar wederpartij 'niet meer nodig' heeft, doch om de reden dat de overeenkomst wegens wanprestatie ontbonden wordt en de wanprestante gepoogd heeft om haar schuldeiser op het verkeerde been te zetten, valt niet zonder meer in te zien dat de casus die tot dit geding geleid heeft niet materieel verschilt van het hypothetische geval dat [eiser] in verband met de voorgenomen verkoop aan [C] vóór 30 juni 2007 zijn uitkoopbevoegdheid zou hebben aangewend.
tweede onderdeelkomt op tegen het oordeel dat het niet in overeenstemming met het te goeder trouw uitvoeren van de overeenkomst is als [eiser] aan Habitura in de situatie zoals die zich heeft voorgedaan, niets verschuldigd zou zijn wegens gederfde projectwinst. Uit de wet resp. het wettelijke/verbintenisrechtelijke systeem in verband met de overeenkomst volgt dat [eiser] (althans in beginsel) niets aan Habitura verschuldigd is ter zake van "gederfde projectwinst". Mede in het licht van onderdeel 1 valt volgens het onderdeel niet, laat staan zonder méér, in te zien waarom het "niet in overeenstemming met het te goeder trouw uitvoeren van de overeenkomst" resp. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [eiser] niet gehouden is om aan – de wanpresterende – Habitura genoemd bedrag van € 200.000,-- te betalen. Een eventuele verplichting van [eiser] om dit bedrag aan Habitura te betalen was immers nu juist gekoppeld aan een eventuele aanwending door [eiser] van die uitkoopbevoegdheid, welke bevoegdheid hij niet aangewend heeft voor 30 juni 2007 en welke bevoegdheid hij nadien niet meer had.
derde onderdeelbetoogt dat indien en voor zover het hof, gezien het gegeven dat het in rov. 4.8.3 de term "ongedaanmakingsverbintenis" bezigt, zou hebben geoordeeld dat [eiser] het litigieuze bedrag van € 200.000,-- aan Habitura betalen moet om de reden dat zulks zou volgen uit art. 6:271 BW Pro en/of art. 6:272 BW Pro, is 's hofs oordeel mede in het licht van onderdelen 1 en 2 onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk en/of toereikend) gemotiveerd, omdat het hof het bestaan van deze ongedaanmakingsverbintenis baseert op hetgeen het oordeelt in rov. 4.8.2.
vierde onderdeelis een veegklacht die geen afzonderlijke behandeling behoeft.
ontneemt [eiser]aan Habitura haar kans op winst en daarin wordt kennelijk door het beding voorzien door een op € 200.000,- gefixeerde vergoeding voor haar positief contractsbelang. Wanneer Habitura jegens [eiser] tekortschiet en deze daarom de overeenkomst op de voet van art. 6:265 BW Pro ontbindt,
verspeelt Habituravolgens de wet haar aanspraak op wederzijdse nakoming en dus ook haar uitzicht op winst uit het project c.q. haar positieve contractsbelang. Het feit dat men voor de ene situatie een voorziening heeft getroffen, impliceert dan ook niet dat die ook voor een situatie als de onderhavige passend zou zijn. Dat van een dergelijke partijbedoeling sprake is, heeft het hof m.i. niet in rov. 4.8.2. vastgesteld. Het hof lijkt een en ander zelfstandig af te leiden uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de bedoelde gelijkenis tussen de twee situaties.