Conclusie
Bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de rechtbank Assen bevoegd was om kennis te nemen van economische delicten zonder dat formeel economische kamers waren gevormd zoals voorgeschreven in artikel 52 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). Het hof concludeerde dat hoewel het bestuursreglement geen specifieke economische kamers benoemt, de praktijk van de sectorvoorzitter waarbij rechters met specifieke deskundigheid worden ingezet, materieel voldeed aan de wettelijke eisen. De verdediging voerde aan dat het ontbreken van een bestuursbesluit tot ongeldigheid van de bevoegdheid leidde, maar dit werd verworpen.
Daarnaast werd de rechtmatigheid van het gebruik van pseudokopen als opsporingsmiddel betwist. De verdediging stelde dat de pseudokopen feitelijk infiltratie waren, waarvoor geen bevoegdheid was verleend, en dat de resultaten daarom uitgesloten moesten worden. Het hof oordeelde dat pseudokoop een lichter opsporingsmiddel is dan infiltratie en dat het enkele feit dat meerdere pseudokopen plaatsvonden niet automatisch infiltratie betekent. De contacten van de pseudokoper met de verdachte en diens gezin waren gericht op het opbouwen van vertrouwen voor de aankoop, niet op deelname aan een criminele organisatie.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de economische kamer materieel bevoegd was en dat de pseudokopen rechtmatig waren ingezet. De middelen van cassatie werden verworpen. Hiermee werd de strafzaak tegen verdachte bekrachtigd, waarbij de juridische nuances rondom de vorming van economische kamers en het onderscheid tussen pseudokoop en infiltratie werden verduidelijkt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bevoegdheid van de economische kamer en de rechtmatigheid van de pseudokopen.