Conclusie
Müller-Fauré) [4] , dat dit criterium inmiddels is achterhaald door Richtlijn 2011/24/EU [5] en dat het hinderpaalcriterium nu al buiten toepassing zou moeten blijven door art. 13 lid 1 Zvw Pro richtlijnconform uit te leggen, heeft het hof als volgt verworpen:
“dat die vergoeding een feitelijke hinderpaal oplevert voor verzekerden om zorg af te nemen bij een niet-gecontracteerde (GGZ) zorgaanbieder”(rov. 4.4.4.3).
2.Inleidende opmerkingen
Müller-Fauré [7] vervatte criterium dat die vergoeding niet zó laag mag zijn dat zij een feitelijke hinderpaal zou vormen voor het inroepen van zorg bij een niet in loondienst van de verzekeraar zijnde of niet-gecontracteerde (buitenlandse) zorgaanbieder [8] .
Mülller-Fauré [16] ontwikkelde criterium dat die vergoeding niet zo laag mag zijn dat zij een feitelijke hinderpaal zou vormen voor het inroepen van zorg bij een niet in loondienst van de verzekeraar zijnde of niet-gecontracteerde (buitenlandse) zorgaanbieder.
Gecontracteerde zorg
Müller-Faurédat de vergoeding niet zodanig gering mag zijn, dat daarmee een feitelijke hinderpaal ontstaat voor het inroepen van zorg bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder in een andere EU-lidstaat, ook (en Unierechtelijk onverplicht) wordt toegepast in het geval dat zorg wordt betrokken bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder in Nederland om aldus een ongewenst onderscheid, al naar gelang de niet-gecontracteerde zorgaanbieder in Nederland dan wel in een andere lidstaat is gevestigd, te voorkomen. Weliswaar wordt in de eerst geciteerde passage uit de memorie van toelichting gesproken van het
“veralgemeniseren”van
“dit EU-aspect”, maar daarmee wordt klaarblijkelijk niet meer bedoeld dan de (inderdaad in art. 13 lid 1 Zvw Pro uitgewerkte) optie dat verzekerden die in beginsel hun zorg moeten inroepen bij gecontracteerde zorgaanbieders, toch extramurale zorg bij een niet-gecontracteerde of een niet bij de zorgverzkeraar in loondienst zijnde zorgaanbieder betrekken. Kennelijk gaat de regering in de geciteerde passages ervan uit dat het arrest
Müller-Faurézonder meer ook voor de vergoeding voor door niet-gecontracteerde zorgaanbieders in Nederland verleende zorg geldt. Zou de vergoeding een “feitelijke hinderpaal’ vormen zich tot niet-gecontracteerde aanbieders te wenden, dan zouden, blijkens de hiervoor als tweede geciteerde passage uit de memorie van toelichting, volgens de regering
“buitenlandse zorgaanbieders ten opzichte van Nederlandse zorgaanbieders worden gediscrimineerd, met als gevolg een niet gerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van diensten”. Ook Rijken vat de memorie van toelichting op de Zvw in die zin op [23] :
in het leven te roepen; de toelichting wijst er slechts op dat op grond van Europees recht een bepaalde norm geldt. Dit kan ook niet anders zijn. De parlementaire behandeling kan uiteraard nuttig zijn voor de
uitlegvan een wetsbepaling. Het is echter niet mogelijk om bij memorie van toelichting wetsbepalingen
aan te vullen. Dit laatste zou nodig zijn voor de introductie van een minimumnorm voor de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg; die kan niet door uitleg in artikel 13 lid 1 Zvw Pro worden gelezen.
feitelijkehinderpaal-criterium op dit moment, in afwachting van de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 13 Zvw Pro, wel degelijk nog geldt. Dientengevolge verbood hij zorgverzekeraar CZ het om bepaalde verslavingszorg van een niet door CZ gecontracteerde zorgaanbieder voor 50% te vergoeden. De rechter was van mening dat een vergoeding van 75% (de vergoedingshoogte die CZ in 2012 hanteerde) meer in de rede lag. Zorgverzekeraar CZ is het hiermee, net als ik, niet eens en zal in hoger beroep gaan.”
Müller-Fauré [25] hebben geleid, speelden zich af onder het regime van de Ziekenfondswet (Zfw). Op grond van die wet waren werknemers met een jaarinkomen onder een bepaalde grens, met hen gelijkgestelden en uitkeringsgerechtigden van rechtswege tegen ziektekosten verzekerd. Die verzekering gold mede voor te hunnen laste komende gezinsleden. Krachtens art. 8 Zfw Pro hadden de verzekerden aanspraak op verstrekkingen in natura. Om aan hun verstrekkingsplicht te voldoen, sloten de ziekenfondsen overeenkomsten met zorgaanbieders. Daarin kwam aan hen minder vrijheid toe dan thans onder de Zvw ten aanzien van zorgverzekeraars het geval is. Als de verzekerde zich tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder wilde wenden, diende hij op grond van art. 9 Zfw Pro toestemming te vragen aan het ziekenfonds. Als die niet-gecontracteerde zorgaanbieder niet in Nederland was gevestigd, kon de toestemming worden verleend als
“het ziekenfonds (…) (had) vastgesteld dat zulks voor de geneeskundige verzorging van die verzekerde nodig (…) (was)” [26] . Zorg die men zonder deze toestemming bij een buitenlandse zorgaanbieder had betrokken, werd niet vergoed, tenzij van spoedeisende hulp sprake was.
Müller-Fauréis gewezen naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Centrale Raad van Beroep in twee bij hem aanhangige zaken, die de ziekenfondsverzekerden Müller-Fauré en Van Riet betroffen. Müller-Fauré had in Duitsland een tandheelkundige behandeling ondergaan, zonder dat zij voorafgaande toestemming had verkregen van het ziekenfonds. Het ziekenfonds weigerde de behandeling te vergoeden, zulks op advies van zijn adviserend tandarts. Van Riet had een artroscopie laten verrichten in een Belgisch ziekenhuis; het ziekenfonds had daarvoor geen toestemming verleend, omdat de ingreep ook binnen een redelijke termijn in Nederland had kunnen plaatsvinden. Naar de kern genomen kwamen de prejudiciële vragen van de Centrale Raad van Beroep erop neer of het toestemmingsvereiste van de Zfw al dan niet met het vrij verkeer van diensten in overeenstemming is. In zijn vragen benadrukte de Centrale Raad van Beroep dat het financiële evenwicht van het stelsel van naturaverstrekkingen in gevaar kan komen, wanneer verzekerden zonder voorafgaande toestemming van het ziekenfonds vergoeding kunnen krijgen van zorg die in een andere lidstaat is verleend.
“de instandhouding van een verzorgingscapaciteit of medische deskundigheid op het nationale grondgebied essentieel is voor de gezondheid of zelfs het overleven van de bevolking (…)(punt 67)
,mits
“de op die grond genomen maatregelen niet verder gaan dan hetgeen daartoe objectief noodzakelijk is, en (…) dit resultaat niet door minder beperkende maatregelen kan worden bereikt (…)”(punt 68).
“een kwalitatief goede, evenwichtige en voor ieder toegankelijke intra- en extramurale zorgverlening te garanderen, (…) met de verzekering van het financiële evenwicht van de sociale zekerheid, doordat een dergelijk stelsel de beherende autoriteiten in staat stelt, volgens vooraf gestelde prioriteiten de kosten te beheersen aan de hand van de geplande behoeften, en (…) met de kenmerken van het Nederlandse stelsel van ziektekostenverzekering, dat verstrekkingen in natura garandeert” (punt 66).
Müller-Fauréheeft het HvJ EG/EU
nietgeoordeeld dat de aan de verzekerde toekomende vergoeding voor de door hem ondergane behandeling in een andere lidstaat niet zo laag mag zijn, dat zij voor de verzekerde een feitelijke hinderpaal zou vormen zich tot die zorgaanbieder te wenden [29] . Zoals het Hof (in punt 86) vaststelde, vormde de vergoeding door het Nederlandse ziektekostenverzekeringsstelsel van de intra- en extramurale zorg die aan Müller-Fauré en Van Riet was verstrekt, als zodanig geen punt van geschil. Wel heeft het Hof (in punt 98) benadrukt dat alleen de lidstaten mogen bepalen hoever de ziektekostendekking van hun verzekerden gaat, zodat de verzekerde voor behandeling in een andere lidstaat slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de behandeling binnen de grenzen van de dekking die in de lidstaat van inschrijving door het stelsel van ziektekostenverzekering is gegarandeerd. Het Hof heeft zulks (in punt 106) nog eens herhaald:
“immers buitenlandse zorgaanbieders ten opzichte van Nederlandse zorgaanbieders worden gediscrimineerd, met als gevolg een niet gerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van diensten” [30] .Die gevolgtrekking acht ik echter discutabel, als het gaat om een vergoeding die, hoezeer zij ook werkt als hinderpaal, zonder onderscheid van toepassing is op in Nederland en het buitenland gevestigde, niet-gecontracteerde zorgaanbieders en waaraan in die zin een non-discriminatoir karakter niet kan worden ontzegd. Bovendien teken ik reeds hier aan dat niet valt in te zien hoe een
Nederlandseniet-gecontracteerde zorgaanbieder als Momentum zich op een mogelijke discriminatie van
buitenlandsezorgaanbieders zou kunnen beroepen.
Müller-Faurékan worden ontleend dat in het grensoverschrijdende verkeer van medische diensten de vergoeding die toekomt aan de door de verzekerde ingeschakelde en in een andere lidstaat gevestigde zorgaanbieder aan het “hinderpaalcriterium” is onderworpen, rijst vervolgens de vraag of dat arrest zich in zoverre voor toepassing op niet-gecontracteerde zorgaanbieders in de lidstaat van de verzekerde leent. Ik meen dat dit laatste om ten minste drie redenen niet het geval is.
Müller-Fauréheeft het HvJ EG/EU gezocht naar een balans tussen de wens het vrije verkeer van (medische) diensten zo min mogelijk te beperken enerzijds en de wens de zorgstelsels van de lidstaten niet in gevaar te brengen anderzijds. Daarbij heeft het Hof het risico van een verstoring van het financiële evenwicht van de zorgstelsels van de lidstaten zorgvuldig afgewogen. In dat verband heeft het Hof tussen intramurale en extramurale zorg onderscheiden. Met betrekking tot de intramurale zorg achtte het Hof het risico van een verstoring van het financiële evenwicht van de zorgstelsels van de lidstaten preponderant. Met betrekking tot de extramurale zorg heeft het Hof het vrije dienstenverkeer laten prevaleren. Daarbij heeft het echter wel uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat, gelet op het grensoverschrijdende karakter van de medische zorg die in de zaak
Müller-Fauréaan de orde was en op
“taalbarrières, geografische afstand, kosten voor verblijf in het buitenland en gebrek aan informatie over de aard van de aldaar geboden zorg”die aan dat grensoverschrijdende karakter inherent zijn, het schrappen van de in die zaak aan de orde zijnde eis van voorafgaande toestemming niet tot een dermate grote toename van het grensverkeer van patiënten zou leiden dat daardoor het financiële evenwicht van het Nederlandse socialezekerheidsstelsel ernstig zou worden aangetast (punt 95). Een zodanig grote toename viel volgens het Hof niet te duchten, omdat de betrokken zorg
“over het algemeen (wordt) verstrekt dicht bij de woonplaats van de patiënt, in een culturele omgeving die hem bekend is en waarbinnen hij met de behandelend arts een vertrouwensrelatie kan opbouwen”en het grensverkeer van patiënten, afgezien van spoedgevallen, zich daarom vooral in grensregio’s zal voordoen, welk verschijnsel uit oogpunt van het nationale zorgstelsel kan worden ondervangen door
“voor die regio's en voor zulke klachten (…) een stelsel van overeenkomsten met buitenlandse artsen op te zetten”(punt 96). Al deze omstandigheden, die volgens het Hof ertoe leiden dat het effect van het schrappen van de eis van voorafgaande toestemming voor extramurale behandeling door een buitenlandse zorgaanbieder op het nationale zorgstelsel slechts beperkt is (punt 97:
“Deze omstandigheden hebben stuk voor stuk tot gevolg dat het financiële effect op het Nederlandse socialezekerheidsstelsel van het schrappen van de voorwaarde van voorafgaande toestemming voor behandeling in de praktijk van een buitenlandse arts, beperkt is.”), doen zich bij het betrekken van zorg bij niet-gecontracteerde zorgaanbieders binnen Nederland echter niet (en zeker niet in gelijke mate) voor. Daardoor zou bij (een analoge) toepassing van het arrest
Müller-Fauréin de interne Nederlandse situatie, óók voor zover die toepassing tot extramurale zorg zou zijn beperkt, een relevante verstoring van het evenwicht in het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel geenszins zijn uitgesloten.
Müller-Faurébetrekking had op het regime van de verplichte ziekenfondsverzekering, welke verzekering verstrekkingen in natura bood. Ziekenfondsverzekerden als Müller-Fauré hadden in beginsel geen alternatief. Onder het huidige regime van de Zvw kan de verzekerde die zorg bij door hemzelf gekozen, niet-gecontracteerde zorgaanbieders wil betrekken, echter voor een restitutiepolis voor niet-gecontracteerde zorg kiezen. In de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag [31] :
Müller-Fauréinderdaad in dat de vergoeding op objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria moet berusten. In die zin is een vergoeding die gelijkelijk voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders in Nederland en niet-gecontracteerde zorgaanbieders in het buitenland geldt, echter niet discriminerend, ook niet als zij voor de verzekerde een hinderpaal zou vormen om in plaats van gecontracteerde zorg waar dan ook (hetzij in Nederland, hetzij in het buitenland) niet-gecontracteerde zorg te betrekken. Men zou hiertegen kunnen inbrengen dat de groep van gecontracteerde zorgaanbieders in meerderheid uit Nederlandse zorgaanbieders bestaat, en dat een regeling ten nadele van niet-gecontracteerde zorgaanbieders
duseen indirecte discriminatie van in het buitenland gevestigde zorgaanbieders is. Naar mijn mening legt men met deze redenering de lat voor indirecte discriminatie te laag. Bij indirecte discriminatie moet de benadeelde groep min of meer met de gediscrimineerde groep (in casu de in het buitenland gevestigde zorgaanbieders) kunnen worden geïdentificeerd. In de context van art. 13 lid 1 Zvw Pro lijkt mij dat niet aan de orde; het ligt voor de hand dat een verzekerde die voor de door hem benodigde zorg geen gebruik wil maken van de door zijn verzekeraar gecontracteerde zorgaanbieders, zijn blik allereerst zal richten op andere (niet-gecontracteerde) zorgaanbieders in Nederland. De groep van in aanmerking komende en mogelijk gedupeerde, niet-gecontracteerde zorgaanbieders lijkt mij voor het overgrote deel te bestaan uit zorgaanbieders die niet in het buitenland, maar juist in Nederland zijn gevestigd [33] .
als zodanigechter niet een feitelijke hinderpaal gezien, voor zover althans de memorie van toelichting op het hierna (onder 2.21) nog te bespreken wetsvoorstel 33 362 in dit opzicht als maatgevend mag worden beschouwd [35] :
Müller-Fauré, noch in het kader van de door art. 13 lid 2 Zvw Pro aan de zorgverzekeraar opgedragen verantwoording van de wijze van berekening van de vergoeding, die - naar luid van art. 13 lid 4 Zvw Pro - voor alle (natura)verzekerden, bedoeld in het eerste lid, die in een zelfde situatie een zelfde vorm van zorg of dienst behoeven, gelijk is. Dat was kennelijk ook de opvatting van de minister in de hierboven geciteerde passage, waarin ervan wordt uitgegaan dat de feitelijke hinderpaal kan worden gesteld op een bepaald en mede van de (gemiddelde) kosten van de betrokken behandeling afhankelijk percentage van het marktconforme tarief.
Müller-Faurézou voortvloeien, de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg in het buitenland gelijk mag worden gesteld aan de vergoeding die daarvoor in Nederland zou worden gegeven. Uit de preambule onder 4 wordt afgeleid dat patiënten niet mogen worden aangemoedigd om buiten hun lidstaat een behandeling te ondergaan; daarvan zou sprake zijn, indien de vergoedingen voor behandelingen in het buitenland hoger zouden moeten liggen dan die voor behandelingen in Nederland.
Wattsresp.
Müller-Fauré en Van Riet; LK) dat er meer zorgaanbieders in eigen land worden gecontracteerd dan daarbuiten, kan ik onderschrijven. Er is echter ook een logische verklaring voor. In zijn algemeenheid geldt dat naarmate de afstand tot een aangeboden product of dienst toeneemt, de drempel om voor het aangebodene te kiezen hoger is. Dit is de reden dat er voor Nederlandse verzekerden overwegend Nederlandse zorg wordt gecontracteerd en dat als er buitenlandse zorg wordt gecontracteerd dat vaker Belgische en Duitse zorg is dan zorg uit niet buurlanden. Me dunkt dat deze logische verklaring in redelijkheid niet als een onderbouwing kan worden gezien van een belemmering van het vrije verkeer. Het Hof merkt overigens op, dat het vooral de buitenlandse zorgaanbieders zijn die geen interesse zouden hebben om gecontracteerd te worden. Het lijkt curieus om een afhoudende opstelling van buitenlandse zorgaanbieders tegen te werpen aan lidstaten die grensoverschrijdende zorg mogelijk willen maken, maar daar wel graag een overeenkomst aan ten grondslag zien liggen. (…) Een belangrijker constatering is echter dat de genoemde arresten gewezen zijn in zaken waar sprake was van volledige naturastelsels. Daarbij werkt weinig contractering van buitenlandse zorgaanbieders sneller belemmerend dan in het Nederlandse zorgstelsel, waar verzekerden kunnen kiezen voor een naturapolis, een restitutiepolis of een mengvorm.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“derhalve”ingevuld (rov. 4.4.2.2, slotzin).
wildedat het hinderpaalcriterium zou gelden, dan wel de gelding van dat criterium slechts
veronderstelde. Als dat laatste het geval is en als die veronderstelling was gebaseerd op de Unierechtelijke status die de regering kennelijk aan het hinderpaalcriterium toedacht, teken ik nog aan dat (anders dan waarvan de regering mogelijk is uitgegaan) de rechtstreekse werking van het relevante Unierecht (het vrije dienstenverkeer) jegens particuliere zorgverzekeraars als CZ allerminst evident is. Het HvJ EG/EU heeft weliswaar in bepaalde gevallen rechtstreekse werking van de bepalingen over het vrije dienstenverkeer jegens collectieve organisaties naar privaatrecht aangenomen, maar het is twijfelachtig of particuliere zorgverzekeraars daartoe te rekenen zijn [46] . Is dat laatste niet het geval, dan zullen uit het vrije dienstenverkeer voortvloeiende verplichtingen slechts bij nationale wet aan zulke verzekeraars kunnen worden opgelegd. Overigens kunnen de litigieuze verwijzingen in de wetsgeschiedenis naar mijn mening ook daarom niet beslissend zijn, omdat zij voor het hinderpaalcriterium een bron noemen (het arrest
Müller-Fauré) waaruit dat criterium niet voortvloeit, het hinderpaalcriterium (mede daardoor) zonder nadere uitwerking onduidelijk is en het niet voor de hand ligt om hetgeen wél uit het arrest
Müller-Faurévoortvloeit, automatisch toe te passen op de vergoeding van zorg die door een Nederlandse naturaverzekerde bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder in Nederland is betrokken.
nietals maatstaf geldt. Het subonderdeel verwijst daartoe
nietvoortvloeit uit het arrest
Müller-Fauréwaarnaar in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag wordt verwezen en dat genoemd arrest niet meer verlangt dan dat de te verstrekken vergoeding op objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria berust;
Müller-Fauréinmiddels is verlaten en dat het hinderpaalcriterium kan worden losgelaten, alsmede dat (het huidige) art. 13 lid 1 Zvw Pro, in combinatie met de Richtlijn, reeds het recht geeft om de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg op een (zeer) laag percentage vast te stellen (derhalve zonder het hinderpaalcriterium als maatstaf);
Müller-Faurévoortvloeit, kwam hiervóór (onder 2.15) reeds uitvoerig aan de orde.
geldendeversie van art. 13 lid 1 Zvw Pro (en dus zonder wetswijziging) niet (meer) van het hinderpaalcriterium behoeft te worden uitgegaan en de voorgestelde wijziging van de bepaling, die aldus beschouwd nog slechts ertoe strekt een nihil-vergoeding mogelijk te maken, niet een majeure wijziging is [49] . De hier bedoelde opmerkingen geven blijk van de opvatting dat het veronderstelde hinderpaalcriterium zijn gelding niet aan art. 13 lid 1 Zvw Pro ontleende, maar rechtstreeks aan het Unierecht, en derhalve louter door ontwikkelingen binnen dat Unierecht zijn gelding kon verliezen.
“op de rechtmatige uitvoering door de zorgverzekeraars van hetgeen bij of krachtens de Zorgverzekeringswet is geregeld”(art. 16 aanhef Pro en onder b Wet marktordening gezondheidszorg) relevantie niet kan worden ontzegd, op zichzelf niet beslissend kan zijn voor de uitleg van art. 13 lid 1 Zvw Pro. Overigens laat het standpunt van de NZa aan duidelijkheid niet te wensen over. De tot 1 januari 2014 geldende Beleidsregel Toezichtkader zorgplicht zorgverzkeraars (TH/BR-006) [50] houdt in paragraaf 3.4.3 (
“Gecontracteerde zorg (natura en restitutie)”) onder meer in:
ofhet hinderpaalcriterium van het geldende art. 13 lid 1 Zvw Pro onderdeel vormt. Bij de beantwoording van die vraag komt mede betekenis toe, althans kan mede betekenis toekomen, aan de opvattingen van de minister en de NZa.
a priorigeen betekenis toekomt (laat staan:
a priorigeen betekenis kan toekomen) bij de uitleg van het geldende art. 13 lid 1 Zvw Pro. Wel roepen de betrokken rechtsoverwegingen de vraag op of het hof zich ten volle van de portee van de door CZ bedoelde uitlatingen rekenschap heeft gegeven. Uit rov. 4.4.2.4 blijkt dat het hof de uitlatingen van regeringszijde met betrekking tot wetsvoorstel 33 362 aldus heeft opgevat dat de voorgestelde wijziging van art. 13 lid 1 Zvw Pro ertoe strekt
“dat daarin het hinderpaal-criterium zal komen te vervallen”. Die opvatting doet in elk geval geen recht aan de opmerkingen van de minister in de nota naar aanleiding van het verslag (zie 2.10), die nu juist als strekking hadden dat de zorgverzekeraars ook zonder wijziging van art. 13 lid 1 Zvw Pro met het (vermeende en naar het oordeel van de minister kennelijk slechts uit het Unierecht voortvloeiende) hinderpaalcriterium (wegens ontwikkelingen in het Unierecht) geen rekening (meer) behoefden te houden. Ook de weergave van Beleidsregel TH-BR-006, waarin volgens het hof
“slechts (staat) dat de vergoeding niet nihil (€ 0) mag zijn”, doet geen recht aan de werkelijke inhoud van hetgeen die beleidsregel werkelijk inhoudt. Daarin staat immers óók dat
“(d)e Zvw geen in de wet vastgelegde norm voor de hoogte van de vergoeding (bevat)”. Waar het hof in rov. 4.4.2.5, in verband met de opvattingen van de NZa, CZ heeft tegengeworpen dat ook de uitlatingen van de bestuursvoorzitter van de NZa erop lijken te wijzen
“dat de huidige wetgeving dit niet toelaat”, geldt ten slotte dat de bedoelde uitlatingen (en daarmee ook het door het hof bedoelde
“dit”) slechts betrekking hadden op de mogelijkheid van een (ook volgens de NZa door het geldende art. 13 lid 1 Zvw Pro
niettoegelaten) nihil-vergoeding, en niet ook op het buiten aanmerking laten van het hinderpaalcriterium.
“(…) dat (…) thans het huidige artikel 13 lid 1 Zvw Pro met de daarbij zojuist gegeven uitleg op grond van de parlementaire geschiedenis, geldend recht is. Op dit moment geldt naar het voorlopig oordeel van het hof derhalve nog steeds het “hinderpaal-criterium”. (…)”).
NJ1946, 323). Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.”
“(…), zodat het CZ niet onder alle omstandigheden vrij staat de belangen te verwaarlozen die Momentum kan hebben bij een behoorlijke nakoming van de verzekeringsovereenkomst door CZ (…)”).
verdereomstandigheden van het geval afhankelijk, in welke verband de enkele bekendheid van CZ met de afhankelijkheid van Momentum naar mijn mening niet volstaat.
“normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt”zouden zijn geschonden. Bij nota van repliek onder 8 heeft mr. Teuben bestreden dat aan het relativiteitsvereiste zou zijn voldaan: art. 13 Zvw Pro zou slechts betrekking hebben op belangen die alleen de zorgverzekeraar en de verzekerde aangaan.
Müller-Fauré) is uitgegaan. Als ervan moet worden uitgegaan dat het hinderpaalcriterium in art. 13 lid 1 Zvw Pro is geïncorporeerd, lijkt mij echter moeilijk vol te houden dat het slechts betrekking heeft op belangen die alleen de zorgverzekeraar en de verzekerde aangaan. Het criterium vindt immers zijn oorsprong in het vrije dienstenverkeer, waarbij zowel de belangen van de dienstenontvanger als de dienstverlener zijn betrokken. Weliswaar geldt het vrije dienstenverkeer slechts in grensoverschrijdende situaties, maar als de wetgever van de Zvw al ervoor heeft gekozen het criterium in art. 13 lid 1 te Pro incorporeren, heeft daaraan mede de gedachte ten grondslag gelegen dat in Nederland gevestigde zorgaanbieders niet bij zorgaanbieders in andere lidstaten mogen worden achtergesteld [51] .
- Hoogte van de vergoeding
geenfeitelijke hinderpaal oplevert. Partijen verschillen erover van mening of (75-)80% nog steeds als een breed gedragen praktijknorm heeft te gelden.
gemiddeld€ 982,-- (mva 7.11.4) dan wel € 892,-- (pleitnota’s partijen hof) kosten, en dat er bij Momentum ook behandelingen van enkele tienduizenden euro’s voorkomen. Het hof acht het voorshands voorstelbaar dat een bijbetaling van gemiddeld € 491,-- (50%) tegenover in 2012 € 245,-- (25%) (dan wel gemiddeld € 446,-- tegenover in 2012 € 223,--) voor een vaak onbemiddelde verzekerde een grote hindernis, dan wel voor Momentum een aanzienlijk inkomstenverlies, oplevert.
subonderdeelmist naar mijn mening feitelijke grondslag. Het hof heeft kennelijk niet bedoeld dat reeds de enkele afwijking van een breed gedragen praktijknorm een feitelijke hinderpaal oplevert. Dat vindt bevestiging in rov. 4.4.4.2, waarin het hof, uitgaande van een breed gedragen praktijknorm van 80% van het marktconforme tarief, nader heeft onderzocht of een vergoeding van 50% van de gemiddelde kosten van behandeling bij Momentum al dan niet een feitelijke hinderpaal oplevert en op grond van dit onderzoek voorshands heeft aangenomen dat
“(…) een vergoeding van 50% (…) een feitelijke hinderpaal oplevert voor verzekerden om zorg af te nemen bij een niet-gecontracteerde (GGZ) zorgaanbieder.”
“(k)ennelijk”(sic!)
(…) ook nog steeds verzekeraars (zijn), al zijn daarbij veel minder verzekerden aangesloten, die een (veel) hoger percentage vergoeden”, met zich zou brengen dat een vergoeding van 80% ten tijde van het bestreden arrest (9 juli 2013) nog steeds als een breed gedragen praktijknorm zou gelden. Als toereikende motivering kan in dit verband niet gelden dat er
“ook standpunten worden verdedigd, vanuit (organisaties van) verzekerden of consumenten, of op Europeesrechtelijke gronden, om deze vergoeding op een hoog niveau te handhaven”en dat
“(d)ie ontwikkelingen (…) bepaald nog niet (zijn) uitgekristalliseerd.”
a prioriervan uitgaat dat een breed gedragen praktijknorm een niveau van vergoeding oplevert dat in elk geval
geenfeitelijke hinderpaal vormt.
ongeachtom welke reden de verzekerde zich tot die niet-gecontracteerde zorgaanbieder wil wenden. Dat voor de desbetreffende zorgvraag een op zichzelf voldoende aanbod van gecontracteerde zorg voorhanden is, doet in dat geval niet ter zake.
subonderdeelkan daarom niet tot cassatie leiden.
Toewijsbaarheid van de vordering
“(ontbreekt) (v)oor zo’n ander percentage (…) echter ieder aanknopingspunt, terwijl voor de norm van 75% pleit dat een vergoeding van ongeveer deze hoogte voorshands als een breed gedragen praktijknorm kan worden beschouwd, dat CZ dit percentage tot en met vorig jaar zelf ook hanteerde, en dat zij dit percentage nog steeds hanteert voor andere niet-gecontracteerde tweedelijns zorg dan GGZ.”De toewijzing van het gevorderde gebod dient vooral als ordemaatregel die duidelijkheid schept, zo volgt uit rov. 4.4.5.2. Gelet op het karakter van de voorziening in kort geding, die voorlopig van aard is en ertoe strekt in een spoedeisende zaak de door de kortgedingrechter geconstateerde onrechtmatigheid op te heffen, komt ’s hofs oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd voor. Het subonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.
“om Momentum ter zake de litigieuze zorg te behandelen conform het vergoedingenniveau dat CZ in 2012 hanteerde”. Derden (verzekerden en niet-gecontracteerde zorgaanbieders) kunnen aan deze veroordeling niet zonder meer aanspraken ontlenen. Voorts betwijfel ik ten zeerste of (zoals het hof heeft aangenomen) art. 13 lid 4 Zvw Pro zover gaat dat het CZ ertoe verplicht de aan aan haar door de kortgedingrechter bij wijze van voorlopige voorziening jegens een individuele zorgaanbieder opgelegde handelwijze zonder meer ook jegens andere verzekerden en/of niet-gecontracteerde zorgaanbieders te volgen. Weliswaar kunnen derden zich in volgende kortgedingprocedures bij wijze van precedent op de veroordeling in de onderhavige kortgedingprocedure beroepen, maar het staat geenszins vast dat daarin vervolgens in gelijke zin zal worden geoordeeld. Zo kan erop worden gewezen dat (ook) in de onderhavige zaak de concrete gemiddelde kosten van de behandeling een beslissende rol hebben gespeeld (rov. 4.4.4.3).
a priorileidt tot een niveau van vergoeding dat
geenfeitelijke hinderpaal vormt (rov. 4.4.4.3), kan het bestreden oordeel over de toewijsbaarheid van de gevorderde voorziening ook om die reden geen stand houden.
subonderdeelkan naar mijn mening niet tot cassatie leiden. In het licht van het karakter van de kortgedingprocedure geeft ’s hofs oordeel dat, bij het ontbreken van concrete aanknopingspunten voor een minder ingrijpende voorziening, dient te worden aangehaakt bij de tot 2013 geldende vergoeding van 75%, die overigens nog steeds voor andere niet-gecontracteerde tweedelijns zorg wordt gehanteerd, niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk.
“Conclusie”) en het dictum niet in stand kunnen blijven.
Müller-Fauréeen hinderpaalcriterium zoals door het hof bedoeld voortvloeit. Dat dit niet zo is, is naar mijn mening een
acte clair, die geen prejudiciële verwijzing behoeft.