In deze zaak heeft verweerster een verzoek ingediend tot faillietverklaring van verzoeker, waarbij zij loonvorderingen over diverse maanden stelde. Verzoeker betwistte deze vorderingen en startte zelf een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en schadevergoeding. Tevens deed verzoeker een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, dat aanvankelijk niet ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank verklaarde verzoeker failliet bij vonnis van 6 augustus 2013, ondanks dat verzoeker niet aanwezig was bij de zitting en betwistingen had ingebracht. Verzoeker kwam in verzet tegen dit vonnis, maar dit werd afgewezen. Het hoger beroep tegen die afwijzing werd eveneens verworpen door het hof, dat oordeelde dat summierlijk was gebleken dat verweerster een vorderingsrecht had en dat verzoeker zich in een toestand van opgehouden te betalen bevond.
In cassatie werden meerdere klachten ingebracht, onder meer over het ontbreken van een eerlijk proces en de behandeling van het faillissementsverzoek in afwezigheid van verzoeker. De Hoge Raad oordeelde dat verzoeker voldoende gelegenheid had gehad zich te verweren in de verzet- en hoger beroepsprocedure en dat het faillissement terecht was uitgesproken. Ook werd geoordeeld dat het verzoek tot toelating tot de schuldsanering niet langer door verzoeker werd gehandhaafd, waardoor de faillissementsuitspraak niet geschorst hoefde te worden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het faillissement van verzoeker.