ECLI:NL:PHR:2014:340

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2014
Publicatiedatum
30 april 2014
Zaaknummer
14/01290
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 259 RvArt. 278 RvArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken gronden bij verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoekers tot cassatie waren in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard door het gerechtshof Den Haag omdat hun beroepschrift niet voldeed aan de vereiste dat de gronden waarop het hoger beroep berust, voldoende zijn toegelicht. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling was door de rechtbank afgewezen omdat verzoekers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan van diverse fiscale schulden.

Het hof oordeelde dat de enkele stelling dat de rechtbank onvoldoende onderzoek had verricht naar verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden niet volstond als grond voor hoger beroep. Verzoekers hadden geen feiten of omstandigheden gesteld die tot vernietiging van het vonnis konden leiden, mede vanwege de omvangrijke fiscale schulden die waren ontstaan door onterecht ontvangen toeslagen en niet afgedragen belasting.

In cassatie voerden verzoekers aan dat hun beroepschrift wel voldeed aan de eisen omdat zij een overzicht van schuldenrapportages hadden overgelegd. De Hoge Raad verwierp dit en benadrukte dat het aan de schuldenaar zelf is om goede trouw en eventuele bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. De rechter is niet verplicht ambtshalve onderzoek te doen. Het cassatieverzoek werd daarom verworpen.

Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken van voldoende gronden en onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.

Conclusie

14/01290
Mr. L. Timmerman
Zitting 11 april 2014
Conclusie inzake:
1. [verzoeker 1],
2. [verzoekster 2],
verzoekers tot cassatie,
(hierna [verzoeker] c.s.).
1. [verzoeker] c.s. zijn door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 4 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard in het door hen ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 december 2013. In dat vonnis was het verzoek van [verzoeker] c.s. tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan van diverse fiscale schulden te goeder trouw zijn geweest.
2 Het gerechtshof heeft zijn oordeel samengevat als volgt gemotiveerd. Het ingediende beroepschrift voldoet niet aan het uit art. 259 jo Pro. 278 Rv voortvloeiende vereiste dat het de gronden dient te bevatten waarop het hoger beroep berust, nu daarin slechts is aangevoerd
datmaar niet
waaromhet oordeel van de rechtbank in onjuist is. De enkele stelling dat de rechtbank onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de verwijtbaarheid en het bestaan van eventuele bijzondere omstandigheden kan niet gelden als voldoende toelichting, nu [verzoeker] c.s. op de voet van art. 288 lid 1 Fw Pro als voorwaarde voor toelating aannemelijk moeten maken dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van (een deel van) de schulden (rov. 5). Ten overvloede wordt overwogen dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak tot vernietiging van het bestreden vonnis hadden kunnen leiden, omdat [verzoeker] c.s. zeer forse schulden aan de Belastingdienst hebben doen ontstaan door het over een lange periode onterecht verkrijgen van huur- en zorgtoeslag en het niet afdragen van inkomstenbelasting, terwijl [verzoeker] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat hen te dien aanzien geen verwijt treft (rov. 6).
3 Het cassatieverzoekschrift dat namens [verzoeker] c.s. op 11 maart 2014 en derhalve tijdig is ingediend, omvat twee onderdelen, die m.i. tevergeefs zijn voorgesteld.
Onderdeel 2gaat stuk op een gebrek aan belang aangezien het klaagt over een ten overvloede gegeven overweging.
Onderdeel 1keert zich tegen rechtsoverweging 5 van het arrest van 4 maart 2014 en betoogt dat de inhoud van het beroepschrift – te weten: de stelling dat de rechtbank niet heeft onderzocht of sprake is van verwijtbaarheid of van bijzondere omstandigheden – wel degelijk voldoet aan de eisen van art. 359 jo Pro. 278 lid 1 Rv, mede omdat het complete overzicht van de schuldenrapportages is overgelegd. Dit betoog miskent dat het aan een schuldenaar zelf is om de in art. 288 lid 1 onder Pro b Fw bedoelde goede trouw en eventuele gronden voor toepassing van de in art. 288 lid 3 Fw Pro neergelegde hardheidsclausule aannemelijk te maken (GS Faillissementswet, artikel 288 Fw Pro, aant. 7.3.1 en 11.6; Wessels, Insolventierecht Deel IX, 2009, par. 9066m en t, par. 9067o en q; par. 2.5.1-2.5.5), welk uitgangspunt in overeenstemming is met de door de wetgever beoogde verzwaring van de aan het verzoekschrift gestelde eisen (Kamerstukken 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 14). Op de rechter rust in dit verband geen verplichting tot ambtshalve onderzoek. In hoger beroep kon daarom niet worden volstaan met de stelling dat de rechtbank verzuimd had te onderzoeken of toelating tot de schuldsaneringsregeling toch nog mogelijk was. Daarbij teken ik aan dat niet kan worden volgehouden dat uit de schuldenrapportages, nog daargelaten dat het beroepschrift daar niet naar verwijst, reeds volgt dat voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] c.s. ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden te goeder trouw zijn geweest.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het verzoek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G