Conclusie
datmaar niet
waaromhet oordeel van de rechtbank in onjuist is. De enkele stelling dat de rechtbank onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de verwijtbaarheid en het bestaan van eventuele bijzondere omstandigheden kan niet gelden als voldoende toelichting, nu [verzoeker] c.s. op de voet van art. 288 lid 1 Fw Pro als voorwaarde voor toelating aannemelijk moeten maken dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van (een deel van) de schulden (rov. 5). Ten overvloede wordt overwogen dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak tot vernietiging van het bestreden vonnis hadden kunnen leiden, omdat [verzoeker] c.s. zeer forse schulden aan de Belastingdienst hebben doen ontstaan door het over een lange periode onterecht verkrijgen van huur- en zorgtoeslag en het niet afdragen van inkomstenbelasting, terwijl [verzoeker] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat hen te dien aanzien geen verwijt treft (rov. 6).
Onderdeel 2gaat stuk op een gebrek aan belang aangezien het klaagt over een ten overvloede gegeven overweging.
Onderdeel 1keert zich tegen rechtsoverweging 5 van het arrest van 4 maart 2014 en betoogt dat de inhoud van het beroepschrift – te weten: de stelling dat de rechtbank niet heeft onderzocht of sprake is van verwijtbaarheid of van bijzondere omstandigheden – wel degelijk voldoet aan de eisen van art. 359 jo Pro. 278 lid 1 Rv, mede omdat het complete overzicht van de schuldenrapportages is overgelegd. Dit betoog miskent dat het aan een schuldenaar zelf is om de in art. 288 lid 1 onder Pro b Fw bedoelde goede trouw en eventuele gronden voor toepassing van de in art. 288 lid 3 Fw Pro neergelegde hardheidsclausule aannemelijk te maken (GS Faillissementswet, artikel 288 Fw Pro, aant. 7.3.1 en 11.6; Wessels, Insolventierecht Deel IX, 2009, par. 9066m en t, par. 9067o en q; par. 2.5.1-2.5.5), welk uitgangspunt in overeenstemming is met de door de wetgever beoogde verzwaring van de aan het verzoekschrift gestelde eisen (Kamerstukken 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 14). Op de rechter rust in dit verband geen verplichting tot ambtshalve onderzoek. In hoger beroep kon daarom niet worden volstaan met de stelling dat de rechtbank verzuimd had te onderzoeken of toelating tot de schuldsaneringsregeling toch nog mogelijk was. Daarbij teken ik aan dat niet kan worden volgehouden dat uit de schuldenrapportages, nog daargelaten dat het beroepschrift daar niet naar verwijst, reeds volgt dat voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] c.s. ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden te goeder trouw zijn geweest.