AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt beschikking hof over draagkrachtberekening bij kinderalimentatie wegens overschrijding rechtsstrijd
Deze zaak betreft een geschil over de vaststelling van kinderalimentatie en de draagkracht van de man, waarbij de vraag centraal stond of het hof bij de draagkrachtberekening rekening mocht houden met de helft van de woonlasten van twee huizen en of het hof mocht laten in het midden of de man samenwoont met zijn nieuwe echtgenote.
De man en zijn ex-echtgenote zijn ouders van meerdere kinderen. Na ontbinding van het huwelijk is alimentatie vastgesteld en later gewijzigd. De man is hertrouwd en woont mogelijk gescheiden van zijn nieuwe echtgenote, die eigen woonlasten heeft. De vrouw en de kinderen vorderen een hogere alimentatie, stellende dat de man voldoende draagkracht heeft.
Het hof oordeelde dat het niet relevant is of de man samenwoont met zijn nieuwe echtgenote en hield rekening met de helft van de totale woonlasten van beide huizen. De man stelde dat hij niet samenwoont en dat zijn woonlasten niet gehalveerd mogen worden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en dat het hof niet in het midden had mogen laten of de man samenwoont met zijn nieuwe echtgenote.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug. De draagkrachtberekening moet binnen de grenzen van de rechtsstrijd worden uitgevoerd en de vraag over samenwoning moet duidelijk worden beantwoord. De zaak betreft een belangrijke toetsing van de grenzen van de rechtsstrijd bij alimentatiezaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens overschrijding van de rechtsstrijd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
Voetnoten
1.Voor zover in cassatie van belang. Zie rov. 3.1-3.5 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2013. Nu de draagkracht van de vrouw en de behoefte van de kinderen niet in geschil is, laat ik vermelding van de onder 3.6-3.9 vastgestelde feiten achterwege.
2.Voor zover thans van belang. Zie voor de procedure in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2012 rov. 1.1-1.3.
3.De man noemt in het petitum van het verweerschrift niet de meerderjarigen.
4.Het cassatieverzoekschrift is op 10 september 2013 ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad.
5.Het aanvullend cassatieverzoekschrift is op 17 december 2013 ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad en betreft een aanvulling van de onderdelen 1 en 8 zoals hierna weergegeven.
6.De (cassatieadvocaat van de) man is in de gelegenheid gesteld zijn verweerschrift aan te vullen vanwege het proces-verbaal en het aanvullend verzoekschrift, maar heeft van beide mogelijkheden geen gebruik gemaakt.
7.In het cassatieverzoekschrift wordt ook met voortbouwende klachten geklaagd over rov. 5.12, 5.18, 6.1, 6.2, 7 en het dictum van de beschikking van het hof.
8.In rov. 5.6 van de beschikking is de behoefte voor alle kinderen vastgesteld op € 200,- per kind per maand.
9.Verwezen wordt naar het verweerschrift van de man in eerste aanleg (onder 6, 7, 10 en 12), het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 14 juni 2012, (p. 3-4) en de beschikking van de rechtbank van 11 juli 2012 p. 6 eerste woordblok.
10.Het aanvullend cassatieverzoekschrift verwijst daarbij ook naar de uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 5 maart 2013 (p. 3) blijkende betwisting van de vrouw c.s. dat de man niet samenwoont met zijn nieuwe echtgenote.
11.Aldus heeft de rechtbank de Trema-normen toegepast.
12.Zie alinea 6 van de pleitnotities van de advocaat van de man, die aan het proces-verbaal van de zitting van het hof zijn gehecht.
13.Alsmede in eerste aanleg, zie zijn verweerschrift (onder 6 en 9), het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 14 juni 2012 (p. 3-4) en de weergave in de beschikking van de rechtbank (rov. 4.14 onder a en b).
14.Anders dan het hof heeft de rechtbank bij de bepaling van de woonlasten geen rekening gehouden met eventueel fiscaal voordeel dat aan betaling van hypotheekrente verbonden is en heeft de rechtbank rekening gehouden met de helft van de door de man aangevoerde woonlast, te weten € 715,-. (rov. 4.14 onder a en b).