Conclusie
Inleiding
rentevergoeding
Het cassatiemiddel
einddatum van de rentevergoeding betreft. Het onderdeel concludeert dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is en dat het hof met dat oordeel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.
Parket bij de Hoge Raad
Sepeba en Rito sloten overeenkomsten over de verkoop en ontwikkeling van een perceel bouwgrond, waarbij het perceel in vier kavels werd gesplitst. Er ontstond een conflict over de omvang van kavel 3 en de rentevergoeding over perceel 1, dat wel verkocht maar niet geleverd was vanwege vermeend schuldeisersverzuim van Rito. Sepeba vorderde onder meer een verklaring voor recht over de kavelomvang en een bevel tot medewerking aan levering.
De rechtbank wees de verklaring voor recht af, maar veroordeelde Rito tot medewerking aan levering van kavel 1. Het hof bevestigde dat de verklaring voor recht prematuur was vanwege een lopende grensbepalingsprocedure tussen Rito en de derde-koper van kavel 3. Het hof oordeelde dat Rito in schuldeisersverzuim verkeerde en beperkte de rentevergoeding tot de dag van dagvaarding 3 december 2008, waarna de rente pas weer zou lopen als Rito schriftelijk haar medewerking zou toezeggen.
In cassatie klaagde Sepeba over het prematuur achten van de verklaring voor recht en over de begindatum van de rentevergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaring voor recht terecht was afgewezen omdat de erfgrens nog niet was vastgesteld. Wel werd geoordeeld dat de rentevergoeding moet aanvang nemen vanaf 1 januari 2002, omdat partijen de rente tot en met 31 december 2001 reeds hadden verrekend. Het oordeel van het hof over het einde van het schuldeisersverzuim was niet onbegrijpelijk. De zaak werd zelf afgedaan met aanpassing van de renteperiode en een dwangsom bij niet-nakoming.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de rentevergoeding aanvangt op 1 januari 2002 en veroordeelt Rito tot medewerking aan levering van kavel 1 met dwangsom bij niet-nakoming.