Conclusie
f35.671,64 in contanten, en aan zijn dochter [betrokkene 1] onder meer een bedrag van
f38.041,64 in contanten, terwijl ieder van beide dochters tevens een verzekeringsuitkering ontvangt van
f10.000,--;
f10.000,-- onder de volgende bepalingen:
f60.000,--).
f5.000,-- wenst te lenen onder de volgende bepalingen:
“onder voorwaarde, dat de voor de minderjarigen vrij komende gelden op de bij de Wet voorgeschreven wijze op een beleggingsrekening zullen worden belegd.” [2]
“Nogmaals, het vermeende tegoed. V.+J. [verweerder].”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 2.15:
“rechtshebbende”) voor wie hij het bewind voert, in dit laatste geval met de beperking dat de verlengingsgrond slechts geldt
“ter zake van vorderingen die dit bewind betreffen”. In de wet (waarin wordt gesproken van een grond voor verlenging van de verjaring, bestaande
“tussen een wettelijk vertegenwoordiger en de onbekwame die hij vertegenwoordigt”c.q.
“tussen een bewindvoerder en de rechtshebbende voor wie hij het bewind voert”) ligt besloten dat een grond voor verlenging slechts
gedurendede periode van wettelijke vertegenwoordiging c.q. van bewind bestaat. Dat is ook in overeenstemming met de ratio van de bepaling, die in het bijzonder ertoe strekt te voorkomen dat rechtsvorderingen die de onbekwame en, voor zover zij het bewind betreffen, degene voor wie het bewind wordt gevoerd, niet kunnen instellen, niettemin
gedurendede periode van wettelijke vertegenwoordiging c.q. bewind zouden verjaren [8] .
voortdurentotdat de eindrekening van de wettelijk vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten. Het
voortdurenvan een grond voor verlenging vooronderstelt dat de desbetreffende grond voor verlenging reeds
bestond, dat wil zeggen is ontsproten aan (en ten tijde van) een
bestaandeverhouding zoals in het eerste lid onder b en c bedoeld. Het tweede lid houdt verband met het in art. 3:320 BW Pro vervatte uitgangspunt dat een grond voor verlenging normaliter (in de woorden van art. 3:320 BW Pro:)
“verdwijnt”op het moment waarop de in art. 3:321 lid 1 bedoelde Pro situatie waarin die grond
“bestaat”, een einde neemt. In afwijking van dit uitgangspunt geldt op grond van het tweede lid een zekere verlengde werking van de daarin bedoelde verlengingsgronden, ook na beëindiging van de situaties (wettelijke vertegenwoordiging respectievelijk bewind) waaraan zij hun bestaan ontlenen.
gedurendede periode van wettelijke vertegenwoordiging c.q. bewind lopende verjaringstermijn (laat staan van een gedurende die periode zonder verlenging van de verjaringstermijn intredende verjaring) geen sprake zijn. Daarbij moet echter worden bedacht dat, naar wordt aangenomen, een verlengingsgrond reeds aanwezig kan zijn vóórdat de verjaringstermijn van start is gegaan [9] . Als dat laatste inderdaad het geval is, kan een reeds gedurende de periode van wettelijke vertegenwoordiging c.q. bewind aanwezige en na het einde van die periode voortdurende verlengingsgrond met de verjaring van art. 1:377 BW Pro interfereren, ondanks de ratio van de kortere (objectieve) verjaringstermijn van die bepaling, welke ratio inhoudt dat het bewind van de voogd met zoveel waarborgen is omgeven, dat de termijn gedurende welke hij te dier zake aansprakelijk kan worden gesteld, beperkt dient te zijn [10] .
onmiddellijke, maar geen
terugwerkendekracht toekwam. Bij inwerkingtreding van de bepaling op 1 januari 1992 verhielden [verweerder] en de dochter zich al vier jaar niet meer als de wettelijk vertegenwoordiger en de onbekwame die hij vertegenwoordigt c.q. als de bewindvoerder en de rechthebbende voor wie hij het bewind voert in de zin van art. 3:321 lid 1 sub b en Pro c BW. Op dat moment was er tussen hen géén verhouding waarin de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 sub b en Pro c bestond. Waar bij ontbreken van terugwerkende kracht van art. 3:321 BW Pro een dergelijke verlengingsgrond ook vóór dat moment niet tussen hen gold (en overigens nimmer tussen hen heeft gegolden), kon bij de inwerkingtreding van die bepaling van een “voortduren” daarvan in de zin van lid 2 geen sprake zijn: wat niet is, kan ook niet voortduren. In dit verband kan nog worden gewezen op de memorie van toelichting op art. 121 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek over het in art. 3:321 lid 1 sub d bedoelde Pro geval van de tussen rechtspersonen en haar bestuurders bestaande verlengingsgrond:
“Nogmaals, het vermeende tegoed. V.+J. [verweerder].”, met welke overmaking voor [verweerder] de kous kennelijk af was (zie hiervóór onder 1.8) [12] .
ubonderdeel 1.2klaagt dat het hof het betoog van de dochter dat (i) [verweerder] het bestaan van de KLM-uitkering, de nalatenschap en de verzekeringsuitkering opzettelijk voor haar verborgen heeft gehouden, en (ii) zij, nadat zij daarmee bekend is geworden, de verjaring tijdig heeft gestuit en een procedure aanhangig heeft gemaakt, zodat (iii) art. 3:321 lid 1 sub f BW Pro aan voltooiing van de verjaring in de weg staat, niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken. Nu die stellingen - indien juist - tot het oordeel zouden (kunnen) leiden dat de verjaringstermijn is verlengd, zodat de vorderingen dus niet zijn verjaard, is ’s hofs oordeel volgens het subonderdeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
)blijkt, dat de dochter in elk geval reeds op die datum ermee bekend was dat
“onze voogd (tevens vader) ons erfdeel en de uitkering van de KLM niet (heeft) overgedragen bij het bereiken van ons 18de levensjaar”. Kennelijk heeft de dochter de vader vervolgens eerst op 20 november 2009 (en dus langer dan zes maanden na 11 mei 2009) aangeschreven, zodat, nog afgezien van de mogelijkheid dat de dochter, zoals [verweerder] heeft gesteld, al eerder met een en ander bekend is geraakt (zoals tijdens het in de inleidende dagvaarding onder 10 bedoelde en in augustus 2007 gevoerde gesprek met een notaris [14] ), de regeling van art. 3:320 BW Pro haar althans in zoverre niet kan baten.
LJN: ZC1967, NJ 1998, 380 rechtsoverweging 3.4).”
NJ1998, 380)
NJ1998, 380). Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn
nooitop grond van art. 6:2 lid 2 buiten Pro toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken - hier: de blootstelling aan asbest - inderdaad tot schade - hier: de ziekte mesothelioom - zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin
naar haar aardverborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.
tenietgaanvan een rechtsvordering, en dat niet blijkt dat de wetgever zich ook het geval voor ogen heeft gesteld waarin de schade pas na het verstrijken van de verjaringstermijn is ontstaan, zodat de benadeelde in het geheel geen vordering tot schadevergoeding zou kunnen instellen: vóór het verstrijken van de termijn niet, omdat er toen nog geen schade was, en na het verstrijken van de termijn niet omdat toen de rechtsvordering verjaard was. Dit geval zou hierop neerkomen dat de verjaring het
ontstaanvan een rechtsvordering verhindert, en dat het daarna voorvallen van de schade niet meer dan een natuurlijke verbintenis in het leven roept.
kunnenmaken wegens het voor hem verborgen karakter van zowel de schade als het causaal verband daarvan met een bepaalde gebeurtenis. Daar staat evenwel tegenover dat de rechtszekerheid - welke het instituut der verjaring mede beoogt te dienen - een vaste termijn eist en dat loslaten daarvan op de wijze als door het onderdeel bepleit, eveneens tot onbillijkheid kan leiden, ditmaal jegens de vermeende schuldenaar. Zoals de onderhavige zaak leert, zou de bepleite regel het immers mogelijk maken veel later dan dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aanlegger zijn vordering baseert, nog een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen, met alle daaraan verbonden, voor de hand liggende - en juist voor de verweerder klemmende - bezwaren alleen reeds met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten. (…)”
wetenschapheeft gekregen, maar
in ieder gevaldoor verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. (…)”
nietals algemene regel te aanvaarden dat de in art. 2004 BW Pro (oud) voorziene verjaringstermijn van 30 jaren eerst kan ingaan zodra de schuldeiser over de bedoelde informatie beschikt. Een dergelijke algemene regel is in de onderhavige zaak niet bepleit; in de onderhavige zaak is slechts bepleit dat toepassing van de verjaringsregel achterwege moet blijven als zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat het arrest van 3 november 1995 dit laatste niet uitsluit, blijkt uit het arrest
Van Hese. Daarin heeft de Hoge Raad (in rov. 3.3.1) geen afstand van het arrest van 3 november 1995 genomen, maar daarnaar juist uitdrukkelijk verwezen en voorts beslist dat de tot terughoudendheid nopende ratio van de (in dat arrest aan de orde zijnde) verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW Pro niet impliceert dat die termijn
nooitop grond van art. 6:2 lid 2 BW Pro buiten toepassing zou kunnen blijven. Tegen die achtergrond is hetgeen het hof heeft overwogen ter weerlegging van het standpunt dat toepassing van art. 1:377 BW Pro in samenhang met de betrokken bepalingen van de Overgangswet nieuw BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, niet concludent. In zoverre is de rechts- dan wel motiveringsklacht van het onderdeel op zichzelf gegrond.
Van Hesegeboden opening voor toepassing van art. 6:2 lid 2 BW Pro heeft gereserveerd voor gevallen waarin de rechtsvordering pas geldend zou kunnen worden gemaakt
nadatde verjaringstermijn reeds is verstreken, omdat de schade zich eerst nadien openbaart [19] . Als in zulke gevallen de mogelijkheid zou ontbreken om de verjaring buiten toepassing te laten, zou dat ertoe leiden dat de rechtsvordering reeds is verjaard, voordat zij daadwerkelijk geldend kon worden gemaakt [20] . Voor de door art. 6:2 lid 2 BW Pro geboden opening achtte de Hoge Raad de aard van de schade (
“naar haar aard verborgen”) kennelijk beslissend [21] .
Van Hesedoor de Hoge Raad benadrukte terughoudendheid, het buiten toepassing laten van een (objectieve) verjaringstermijn als die van art. 1:377 BW Pro niet dragen.