De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 28 januari 2014 de schuldsaneringsregeling van verzoekster beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Dit vonnis is door het gerechtshof Amsterdam op 25 maart 2014 bekrachtigd. Het hof stelde vast dat verzoekster diverse verplichtingen uit de regeling niet is nagekomen, zoals het tijdig informeren van de bewindvoerder, het minimaal viermaal per maand solliciteren naar betaald werk, en het voorkomen van nieuwe aanzienlijke schulden of boedelachterstanden.
Het hof achtte deze tekortkomingen aan verzoekster toe te rekenen, omdat zij zelf verantwoordelijk is voor het welslagen van de regeling en de hulp van derden had moeten inroepen. Psychische problemen werden niet als belemmering erkend, mede omdat verzoekster de bewindvoerder niet tijdig had geïnformeerd over haar problemen. Het hof vond onvoldoende vertrouwen in nakoming van de verplichtingen, ook bij eventuele verlenging van de regeling.
Verzoekster stelde beroep in cassatie in met klachten over de motivering en feitelijke vaststellingen van het hof. De Hoge Raad concludeerde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Het hof had voldoende gemotiveerd waarom vertrouwen in nakoming ontbrak en cassatie is niet de juiste weg om de juistheid van feiten aan te vechten. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van art. 80a lid 1 RO.