ECLI:NL:PHR:2014:352

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2014
Publicatiedatum
1 mei 2014
Zaaknummer
14/01733
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 3 EVRMArt. 6 EVRMArt. 47 Handvest van de EUArt. 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens verwijtbare tekortkomingen

Bij vonnis van 7 januari 2014 heeft de rechtbank Overijssel op voordracht van de rechter-commissaris de wettelijke schuldsaneringsregeling van verzoeker tussentijds beëindigd. Verzoeker stelde daartegen hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat bij arrest van 27 maart 2014 het vonnis bevestigde. Het hof oordeelde dat verzoeker de essentiële informatie- en sollicitatieverplichtingen niet voldoende was nagekomen en dat gezien de ernst van de verwijten geen verlenging van de regeling mogelijk was.

Verzoeker stelde in cassatie dat de beëindiging en afwijzing van verlenging hem in een uitzichtloos faillissement zou brengen, wat strijd zou opleveren met fundamentele rechtsbeginselen zoals het recht op toegang tot de rechter en artikelen uit het EVRM en het Handvest van de EU. De Hoge Raad overwoog dat deze klachten het oordeel van het hof niet ondermijnen, omdat het hof zijn beslissing baseerde op toerekenbare tekortkomingen van verzoeker.

De Hoge Raad benadrukte dat de motiveringsklacht onvoldoende duidelijk was geformuleerd en dat het cassatieverzoek daarom niet-ontvankelijk is. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 80a lid 1 RO.

Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

14/01733
Mr. L. Timmerman
Zitting 25 april 2014
Conclusie inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
(hierna [verzoeker]).
1. Bij vonnis van 7 januari 2014 heeft de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, die op 12 maart 2013 ten aanzien van [verzoeker] was uitgesproken, tussentijds beëindigd. In het door [verzoeker] hiertegen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 27 maart 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer en kort gezegd overwogen dat [verzoeker] gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling op verwijtbare gronden de als essentieel aan te merken informatie- en sollicitatieverplichting in onvoldoende mate is nagekomen, en voor de subsidiair door [verzoeker] verzochte verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling geen plaats is gezien de ernst van de aan [verzoeker] gemaakte verwijten.
2 Namens [verzoeker] is op 2 april 2014 tijdig een cassatieverzoekschrift ingediend. Zie ik het goed, dan luidt de essentie van de in
onderdeel 1geformuleerde klacht dat het hof miskend heeft dat de tussentijdse beëindiging, althans de afwijzing van de verzochte verlenging, meebrengt dat [verzoeker] in een uitzichtloos faillissement terechtkomt.
Onderdeel 2bouwt daarop voort en betoogt dat er in het bedoelde uitzichtloze faillissement een volstrekt ongereguleerde situatie zal ontstaan waarin strijd dreigt op te treden met art. 3 en Pro 6 EVRM, art. 47 Handvest Pro van de EU, het recht van toegang tot de rechter en andere essentiële aan de basis van de democratie liggende beginselen, in welk licht het hof de duur van de schuldsaneringsregeling had moeten verlengen.
3 De onderdelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Het hof heeft zijn oordeel gegrond op de geconstateerde toerekenbare tekortkomingen. Onderdeel 1 gaat volledig langs deze dragende gronden heen. Het stuit af op een gebrek aan belang, maar ook op het gegeven dat de geconstateerde toerekenbare tekortkomingen niet worden weggenomen door het feit dat een faillissement(sverzoek) na beëindiging van de schuldsaneringsregeling in beeld kan komen (vgl. art. 3 en Pro 3a Fw). Het op dit onderdeel voortbouwende onderdeel 2 faalt in het kielzog ervan. Daarbij teken ik aan dat de afwijzing van de subsidiair gevorderde verlenging geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd.
4 Ik hecht eraan op te merken dat de steller van het middel onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarin de onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het bestreden oordeel nu precies is gelegen. Uit art. 407 lid 2 Rv Pro vloeit voort dat een rechtsklacht met bepaaldheid en precisie dient in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden, terwijl een motiveringsklacht met bepaaldheid en precisie dient te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Het middel komt m.i. gevaarlijk dicht tegen deze grenzen aan.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G