Conclusie
onderdeel 1geformuleerde klacht dat het hof miskend heeft dat de tussentijdse beëindiging, althans de afwijzing van de verzochte verlenging, meebrengt dat [verzoeker] in een uitzichtloos faillissement terechtkomt.
Onderdeel 2bouwt daarop voort en betoogt dat er in het bedoelde uitzichtloze faillissement een volstrekt ongereguleerde situatie zal ontstaan waarin strijd dreigt op te treden met art. 3 en Pro 6 EVRM, art. 47 Handvest Pro van de EU, het recht van toegang tot de rechter en andere essentiële aan de basis van de democratie liggende beginselen, in welk licht het hof de duur van de schuldsaneringsregeling had moeten verlengen.