Conclusie
[verzoeker],
[de bewindvoeder],
middel 2veronderstelt, was het hof onder deze omstandigheden niet gehouden om aanvullend onderzoek te gelasten naar de lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker].
middel 3, dat [betrokkene] als belanghebbende aangemerkt had moeten worden dan wel in hoger beroep gehoord had moeten worden, faalt. Deze persoon behoort volgens het hof kennelijk niet tot de kring van personen die in dit geval op grond van art. 798 lid 2 Rv Pro of anderszins [3] als belanghebbende moeten worden aangemerkt. Het middel maakt niet duidelijk waarom het hof deze persoon wel als belanghebbende had moeten aanmerken – daartoe volstaat niet dat het hof de informele levensgezellin van [verzoeker] conform art. 798 lid 2 Rv Pro als belanghebbende heeft aangemerkt − en voldoet in zoverre niet aan de daaraan te stellen. Het middel maakt evenmin duidelijk waarom de verklaring van deze persoon − die in eerste aanleg als procesgemachtigde van [verzoeker] was opgetreden − in verband met de beoordeling van het verzoek, anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, wel van betekenis kan zijn (vgl. art. 799 Rv Pro). Daartoe volstaat niet dat de rechtbank bij de terechtzitting in eerste aanleg een medewerker van het bewindvoerderskantoor heeft toegelaten. Het middel verwijst bovendien niet naar vindplaatsen in de stukken waaruit zou blijken dat een en ander wel is aangevoerd en voldoet in zoverre niet aan de daaraan te stellen eisen.