Conclusie
1.Feiten en procesverloop (voor zover in cassatie nog van belang)
( [3] )
( [4] )
( [5] )Die bekrachtiging stoelt, voor wat betreft het door Goudse gehandhaafde beroep op uitsluiting van dekking wegens verzwijging, onder meer op het volgende. De uitsluitingsgrond kan niet aan de benadeelden worden tegengeworpen en dan ook niet aan Aegon. Dat zou anders kunnen zijn, indien de verzekerde zelf op uitbetaling aanspraak zou hebben gemaakt (rov. 4.6.3).
( [6] )- beroep in cassatie ingesteld. Aegon heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Daarna hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht. Aegon heeft gedupliceerd.
2.Enkele inleidende beschouwingen
( [7] )Wanneer de benadeelde van een verzekeraar een uitkering verlangt, doet hij dat niet op basis van uitoefening van het recht op dekking van de verzekerde bezitter van het motorrijtuig jegens de verzekeraar maar op basis van het ‘eigen recht’ uit artikel 6 WAM Pro. Wel komt de benadeelde dat ‘eigen recht’ pas toe (a) indien en voor zover een persoon voor de met een aan het verkeer deelnemend motorrijtuig veroorzaakte schade jegens de benadeelde aansprakelijk is te houden, en (b) indien er tegenover de benadeelde een verzekering van kracht is die strekt tot het bieden van dekking voor aansprakelijkheid van die persoon voor schade veroorzaakt door een aan het verkeer deelnemend motorrijtuig.
( [8] )Deze laatste voorwaarde brengt intussen niet mee dat de benadeelde slechts een vergoeding kan vorderen, indien en voor zover de aansprakelijke persoon daarop onder de verzekering recht heeft. De omvang van het ‘eigen recht’ van de benadeelde op een uitkering jegens de verzekeraar wordt in niet onbelangrijke mate door eigen, in de WAM opgenomen regels bepaald. Een duidelijke illustratie hiervan vormt artikel 11 lid Pro 1, eerste volzin WAM. Aldaar is bepaald dat geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval door een verzekeraar aan de benadeelde kan worden tegengeworpen.
( [9] )
( [10] )
( [11] )Of die situatie zich voordoet, is te beoordelen naar het moment waarop het verzekerde risico zich verwezenlijkt. Dan rijzen vragen als: welke verzekeraar kan door de verzekerde worden aangesproken voor het vergoeden van de schade die wegens schending van het verzekerde belang wordt geleden, en hoe is de verhouding tussen de verzekeraars onderling voor wat betreft het dragen van de dekkingslast (de uitkeringen als ook de redelijke kosten ter bepaling van de schade en van het in en buiten rechte verweer voeren). Dit zijn vragen waarop het per 1 januari 2006 in werking getreden artikel 7:961 BW Pro een antwoord beoogt te geven.
( [12] )
“Met het sedert 1 januari 2006 in art. 7:961 BW Pro neergelegde stelsel, (…), valt niet te rijmen dat een verzekeraar die, in geval van samenloop, de schade van een verzekerde heeft vergoed en verhaal wil nemen op de verzekeraar van de samenlopende verzekering, daarin belemmerd wordt door een verweer van de aard als door het onderdeel bedoeld. De situatie van dubbele verzekering bracht immers (…) mee dat de verzekerde geen belang meer had bij melding van het verzekerde voorval bij Europeesche, nu zij de schade al vergoed kon krijgen van Zorg en Zekerheid. Het strookt niet met de regresmogelijkheid dat in zo’n situatie de aangesproken verzekeraar zich met succes op het ontbreken van een melding door de verzekerde zou kunnen beroepen. Het bepaalde in art. 6:145 BW Pro en de verspreide wettelijke voorschriften over het ‘civiele plafond’ doen daaraan niet af, wat het eerste betreft alleen al omdat art. 7:961 geen Pro geval van subrogatie betreft maar van regres, en voor het overige omdat art. 7:961 voor Pro dit regres een eigen regeling geeft die in zoverre afwijkt van de regelingen omtrent het civiele plafond.”( [13] )Valt uit dit arrest af te leiden dat de voor verhaal aangesproken verzekeraar zich op bedingen, die tussen hem en zijn verzekerde gelden, niet mag beroepen tegenover de verhaal zoekende verzekeraar? Die conclusie kan, naar het voorkomt, niet, althans niet zo algemeen, aan bovenstaande overweging worden verbonden. Hoewel de Hoge Raad erop wijst dat art. 7:961 BW Pro geen geval van subrogatie betreft maar van regres, lijkt de ratio decendi in de geciteerde overweging toch vooral hierin te moeten worden gezocht dat het betrokken beding ook in de verhouding van de voor verhaal aangesproken verzekeraar tot zijn verzekerde zijn betekenis had verloren. Omdat het de verzekerde blijkens lid 1 van artikel 7:961 BW Pro vrijstond om voor de geleden schade een vergoeding te vorderen van een andere verzekeraar en deze die vergoeding ook verstrekte, had de verzekerde er geen belang meer bij om de schade ook nog bij de voor verhaal aangesproken verzekeraar te melden. En dat impliceert weer dat laatstgenoemde die melding in redelijkheid ook niet meer van de verzekerde kon verlangen. Het ligt verder in de reden dat de voor verhaal aangesproken verzekeraar zich jegens de verhaal zoekende verzekeraar niet op een bepaling kan beroepen, die hij niet tegen zijn verzekerde geldend kan maken. Dat laat intussen onverlet dat, zoals de Hoge Raad aan het slot van rov. 3.4.2 te verstaan geeft, de verzekeraar, die de schade regelt, daarbij als redelijk handelende verzekeraar dient op te treden,
“wat onder omstandigheden kan meebrengen dat de andere (betrokken) verzekeraar op de hoogte wordt gehouden van het verloop van de schaderegeling of zelfs aanspraak heeft op overleg omtrent principiële beslissingen dan wel beslissingen met aanzienlijke financiële implicaties.”
( [14] )
( [15] ). De door Mijnssen gehuldigde mening vindt elders bijval.
( [16] )
( [17] )
( [18] )
( [19] )Die regeling heeft betrekking op de aan samenloop verwante figuur dat een derde schuldloos schade heeft geleden, terwijl twee of meer verzekerde personen bij de veroorzaking van die schade betrokken zijn geweest en vaststaat dat in ieder geval één van hen voor de schade aansprakelijk is te houden. De regeling houdt als hoofdregel in dat de verzekeraar, die het eerst tot schadevergoeding wordt aangesproken, de schade met de schuldloze derde regelt. Daarna regelen de betrokken verzekeraars onderling de bijdrage van ieder in de schadelast. De schuldloze derde moet niet de dupe worden van meningsverschillen daarover tussen de betrokken verzekeraars. Zou dat wel gebeuren dan zou dat, aldus de considerans, de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf in gevaar brengen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1wordt verondersteld dat het hof in rov. 4.6.2 met de aldaar gebezigde termen ‘uitsluiting’ (3e regel) en ‘uitsluitingsgrond’ (9e regel) tot uitdrukking wil brengen dat Goudse heeft betoogd dat zij aan [betrokkene] geen dekking hoeft te bieden vanwege contractuele uitsluitingen. Die lezing van de stellingen van Goudse vormt, zo wordt betoogd, een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van Goudse. De gedingstukken laten geen andere uitleg toe dan dat Goudse voor het geen dekking hoeven bieden aan [betrokkene] een beroep heeft gedaan op de wettelijke regelingen van verzwijging, bedrog en dwaling.
subonderdeel 1.2wordt ook geklaagd over een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van Goudse. Verondersteld wordt dat het hof het beroep van Goudse op de ‘uitsluiting’ zo heeft verstaan dat Goudse daarmee niet beoogd heeft aan te voeren dat in de verhouding tot de verzekerde ([betrokkene]) er geen sprake is van ‘daadwerkelijke samenloop’ tussen de met Algemene Zeeuwse gesloten en door Goudse voortgezette verzekering en de met Aegon gesloten verzekering.
“het hof begrijpt de stellingen van de Goudse aldus dat zij aan haar beroep op de onderhavige uitsluiting niet het gevolg verbindt dat in het geheel geen sprake is van samenloop, doch dat, gegeven de beide aanspraken, Aegon de sterkste dekkingsaanspraak biedt en aldus de schade dient te dragen.”Het hof geeft hiermee niet een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van Goudse, indien men de toelichting op de door Goudse in appel aangevoerde derde grief in aanmerking neemt. In § 28 van de memorie van grieven wordt opgemerkt
“dat De Zeeuwse zowel in haar conclusie van antwoord als in haar conclusie van dupliek naar voren heeft gebracht dat – in geval van samenloop – voor de vraag welke WAM-verzekeraar de schade dient uit te keren, het niet alleen van belang is welke verzekeraar een ‘harde’ samenloopclausule hanteert en welke verzekeraar een ‘zachte’, maar dat doorslaggevend is welke verzekeraar aan de verzekerde, te dezen [betrokkene], desterkste dekkingsaanspraken biedt.”Hoe het hof deze opmerking heeft opgevat, geeft het hof niet nader aan. Gelet op het oordeel in rov. 4.6.3 dat Goudse op de ‘uitsluitingsgrond’ geen beroep zou hebben kunnen doen tegenover de benadeelden en dat daarom ook niet tegenover Aegon kan doen, valt dat ook wel te begrijpen. Vanwege het zojuist genoemde oordeel bestond er voor het hof geen aanleiding om zich nader over de betekenis van die opmerking uit te laten.
daadwerkelijkvolgen van de omweg van artikel 15 zo Pro veel mogelijk te vermijden.
( [20] )