ECLI:NL:PHR:2014:379

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 mei 2014
Publicatiedatum
15 mei 2014
Zaaknummer
14/01423
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 8:55 AwbArt. 8:54 lid 1 AwbArt. 6:2 AwbArt. 1:3 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart zich onbevoegd tot kennisneming cassatieberoep inzake sociale voorzieningen KNIL-militair personeel

Eisers hebben bij de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om realisatie van sociale voorzieningen voor het militair personeel van het K.N.I.L. conform de regelingen van 1949 en 1950. Na weigering van de minister om op dit verzoek te beslissen, hebben eisers bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een publiekrechtelijke grondslag en bevoegdheid van de minister tot het nemen van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eisers hebben verzet aangetekend tegen deze uitspraak, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens hebben zij beroep in cassatie ingesteld tegen zowel de niet-ontvankelijkverklaring als het ongegrond verklaren van het verzet. De Hoge Raad oordeelt dat het beroep in cassatie tegen uitspraken van bestuursrechters niet openstaat, omdat de wet geen bevoegdheid aan de Hoge Raad verleent om in bestuursrechtelijke zaken cassatie te behandelen.

De Hoge Raad verwijst naar de Grondwet en de Wet op de rechterlijke organisatie en eerdere jurisprudentie die bevestigen dat cassatie in bestuursrechtelijke zaken niet mogelijk is. De Hoge Raad verklaart zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het cassatieberoep. Deze beslissing sluit aan bij de rechtszekerheid en de wettelijke grenzen van cassatierechtspraak.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het cassatieberoep en wijst het beroep af.

Conclusie

14/01423
Mr. F.F. Langemeijer
2 mei 2014
Conclusie inzake:
[verzoeker 1] en
[verzoekster 2]
tegen
de minister van Buitenlandse Zaken
1. Bij brief van 29 januari 2012 (later verbeterd in: 2013) hebben eisers tot cassatie aan de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om realisatie van aanspraken op sociale voorzieningen voor het militair personeel van het K.N.I.L., zoals die op 26 december 1949 en 24 juli 1950 golden.
2. Bij brief van 28 maart 2013 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de weigering van de minister om een besluit te nemen op dit verzoek. Bij brief van 21 mei 2013 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaar. De rechtbank heeft, nadat de minister verweer had gevoerd, het beroep ter verdere behandeling doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
3. Op 29 juli 2013 heeft die rechtbank het beroep niet ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 8:54 lid 1 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb). Samengevat was de rechtbank van oordeel dat een publiekrechtelijke grondslag voor de gevraagde voorzieningen ontbreekt en aan de minister geen bevoegdheid toekomt tot het nemen van een ‘besluit’ in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb Pro op het door eisers op 29 januari 2013 ingediende verzoek [1] . Het verzoek kan niet worden aangemerkt als een ‘aanvraag’ in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb Pro. Het uitblijven van een reactie op dit verzoek kan voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep niet op grond van art. 6:2 Awb Pro met een ‘besluit’ worden gelijkgesteld.
4. Op 18 november 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het door eisers (op de voet van art. 8:55 Awb Pro) gedane verzet tegen de uitspraak van 29 juli 2013 ongegrond verklaard.
5. Bij schrijven van 7 maart 2014, diezelfde dag ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. Het beroep richt zich zowel tegen de uitspraak van 29 juli 2013 als tegen die van 18 november 2013. Samengevat stellen eisers zich op het standpunt dat slechts de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Den Haag bevoegd is over het door hen ingestelde beroep te beslissen. Voor de overige beroepsgronden, die betrekking hebben op de materiële aanspraken van eisers en de wijze waarop deze zaak in eerste aanleg is behandeld, verwijs ik naar het beroepschrift in cassatie.
6. De zienswijze van eisers dat tegen de uitspraak van 29 juli 2013 beroep in cassatie openstaat is niet juist. Het daartegen openstaande rechtsmiddel, verzet, is door eisers reeds aangewend, zij het zonder succes. De zienswijze van eisers dat tegen de uitspraak op verzet van 18 november 2013 beroep in cassatie openstaat is evenmin juist. Zelfs indien de klacht van eisers dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht gegrond zou zijn, de beslissing van de rechtbank in strijd is met geldend recht en/of de motivering van die beslissing niet aan de eisen voldoet, dan nog kan het beroep in cassatie niet tot een vernietiging door de Hoge Raad van de bestreden uitspraak leiden. Het aan de orde gestelde competentievraagstuk is behandeld in een reeks eerdere uitspraken over dit onderwerp [2] . Art. 118 lid 2 Grondwet Pro bepaalt dat de Hoge Raad in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, is belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht. Art. 78 lid 2 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) bepaalt dat het eerste lid van dat artikel niet van toepassing is op de handelingen en uitspraken van de rechtbanken waarvan zij als bestuursrechter kennis nemen. Art. 78 lid 4 RO Pro voegt hieraan toe dat de Hoge Raad kennis neemt van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter
voor zover dit bij wet is bepaald. In dit geval, waarin de rechtbank als bestuursrechter heeft geoordeeld, ontbreekt een wettelijke bepaling die de Hoge Raad bevoegd maakt tot kennisneming van het beroep in cassatie. In de zaken, aangehaald in voetnoot 2, heb ik de niet-ontvankelijkverklaring van de toen ingestelde cassatieberoepen voorgesteld. In een bespreking van een van die zaken in de vakliteratuur is op een voor mij overtuigende wijze betoogd dat een onbevoegdverklaring van de Hoge Raad beter aansluit bij art. 118 lid 2 Grondwet Pro dan een niet-ontvankelijkverklaring [3] .
7. De
conclusiestrekt ertoe dat de Hoge Raad zich onbevoegd zal verklaren van dit cassatieberoep kennis te nemen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.De rechtbank verwees onder meer naar: CRvB 27 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0117, ABRvS 13 februari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL2398 en ABRvS 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3737.
2.Zie HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3946 (zie ook de nummers BY3954, BY3956, BY3961, BY3973, BY3977 en BY0486), met verdere vindplaatsen in de daaraan voorafgaande conclusies. Zie over het achterliggende geschil: C.N.J. Kortmann en A.A. al Khatib, De Molukse kwestie en de Wet nadeelcompensatie. Over de demobilisatie van de Ambonese KNIL-militairen, RM Themis 2013, blz. 208 - 220.
3.C.N.J. Kortmann, noot bij HR 23 november 2012, JBPr 2013/16.