Het cassatieberoep richtte zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 november 2012. Verzoeker diende tijdig een schriftuur in met één middel van cassatie. De Hoge Raad overwoog dat de motiveringsplicht van artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet zo ver reikt dat bij het niet-aanvaarden van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.
Daarmee was het middel klaarblijkelijk onvoldoende om tot cassatie te leiden. Op grond hiervan stelde de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad voor om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren met toepassing van artikel 80a van het Reglement van Orde van de Hoge Raad.
De Hoge Raad volgde dit standpunt en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Deze beslissing bevestigt de grenzen van de motiveringsplicht en benadrukt dat niet elk detail van een betoog door de rechter hoeft te worden behandeld om een middel ontvankelijk te laten zijn.