Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
i.e.praktisch toepasbaar is gemaakt met de bezittingentoets en de dienstbaarheidstoets. In HR BNB 2009/91 achtte u de exploitatie van een camping, gelet op de korte verhuurduur en de aanwezigheid van bijkomende (recreatieve) voorzieningen, niet wezenlijk anders dan de exploitatie van een hotelbedrijf, dat naar de bedoeling van de wetgever niet onder de regeling valt.
uninterrupted power supplyen de noodstroomvoorziening) doet daaraan niet af. Ook het hotelbedrijf en het campingbedrijf maken gebruik van onroerende voorzieningen. Het Hof kon voorts zonder motiveringsgebrek oordelen dat die voorzieningen niet aan belanghebbendes huurders ten gebruike ter beschikking worden gesteld, maar door de belanghebbende gebruikt worden voor het verlenen van de andere diensten dan terbeschikkingstelling van onroerende ruimte, en daarmee veeleer binnen belanghebbendes bedrijf gebruikt worden dan binnen de bedrijven van de huurders. Ook de analogie met servicekosten bij een gewoon huurovereenkomst baat de Staatssecretaris van Financiën (de Staatsescretaris) mijns inziens niet, nu die pas aan de orde kan komen
nadatvastgesteld is dat de wezenlijke aard van belanghebbendes bedrijf zou zijn de verhuur van onroerend goed, hetgeen volgens het Hof juist niet het geval is, nu de andere diensten voor de afnemers voorop staan.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
License & Services Agreementsheeft gesloten. [C] stelt de datacenters onder de benaming ‘datahotel’ aan hen ter beschikking. Op de datavloeren wordt de aan de klanten toebehorende ICT-apparatuur geplaatst; de voor het functioneren van die apparatuur benodigde stroom wordt geleverd door de belanghebbende of [C] onder de voor de desbetreffende apparatuur meest geschikte omstandigheden.
rack.
License and Service Fee, de hoogte waarvan bepaald wordt door de hoeveelheid stroom die een klant wenst af te nemen en een
multiplierad 1,5 als vergoeding voor
overhead. Het door een klant feitelijk gebruikte vloeroppervlak is irrelevant voor de vergoeding. [4]
3.Het geding in cassatie
outputvan de technische installaties is daarmee het resultaat van het te gelde maken van de onroerende zaken en daarmee van exploitatie van onroerende zaken. Hoogstens zou het deel van de aandeelprijs dat ziet op belanghebbendes glasvezelnet buiten de heffing van overdrachtsbelasting kunnen blijven op grond van de vrijstelling ex. art. 15(1)(y) Wet BvR in samenhang met HR BNB 2007/167 [11] .
4.Het exploitatie-criterium van art. 4(1)(a) Wet BvR
verkrijgingof
vervreemdingvan onroerende zaken is evenmin in geschil, zodat de te beslechten kwestie beperkt is tot de vraag of de onroerende zaken, als geheel genomen, hoofdzakelijk dienstbaar waren aan de
exploitatievan die onroerende zaken vóór of tijdens de aandelenoverdracht.
beogen, door het onroerende-zaaklichaam, van het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende goederen
.Op de vraag wat dit ‘beogen’ inhield, geeft de wetsgeschiedenis geen duidelijk antwoord, [29] omdat de term werd ingevoerd bij de Amendementen Koning c.s. Het regeringsvoorstel ging uit van een werkzaamheidscriterium (zie onderdeel 4.7 hierboven). [30] De toelichting op de Amendementen Koning c.s. vermeldt het volgende: [31]
5.Behandeling van het middel
hard and fast rulegesteld. De kans dat niet-‘verdachte’ aandelenoverdrachten zouden worden getroffen (
overkill), leek mij niet groot, maar bij de exploitatie van een campingbedrijf leek dat geval zich voor te doen als de fiscus aan het langste eind zou trekken, hetgeen echter niet gebeurde.
in housevermaaks- en bezinningsbijeenkomsten georganiseerd worden, een onderhoudsdienst aanwezig is die alle lampjes, reparaties en aansluitingen regelt, en vervoer van de bewoners naar bijvoorbeeld de kerk en het stemlokaal georganiseerd wordt, etc., dan lijkt de aard van het bedrijf niet meer de exploitatie van onroerend goed, maar de exploitatie van zorgvraag.
nadatis vastgesteld dat het om een gewoon vastgoed-huurcontract gaat, dus dat de hoofdprestatie (de aard van het bedrijf) bestaat uit het tegen betaling ter (gebruiks)beschikking stellen van onroerende ruimte aan derden. Of dat het geval is, is nu juist de vraag. Het Hof heeft mijns inziens zijn feitelijke oordeel voldoende gemotiveerd dat dat in casu niet het geval is, nu de ‘servicekosten’ niet annex zijn aan een hoofdprestatie bestaande uit het ter beschikking stellen van onroerende ruimte, maar – andersom – juist volstrekt overheersend zijn ten opzichte van de terbeschikkingstelling van een onbepaalde plek op de datavloer. Ik merk voorts op dat art. 7:203 BW Pro bepaalt dat de verhuurder het gehuurde ter beschikking van de huurder moet stellen voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is en dat dit in de eerste plaats de vraag oproept wat ‘het gehuurde’ is (niet de technische ruimten van een flatgebouw, zo lijkt mij) en in de tweede plaats niet strookt met het gegeven dat de techniek en de technische ruimten niet ten gebruike ter beschikking wordt gesteld van de huurders, die er niet eens mogen komen. Aan de huurders wordt slechts een – ook nog niet door hen, maar door de belanghebbende bepaald –
slotop de datavloer ter beschikking gesteld voor het aansluiten van hun server(s).