ECLI:NL:PHR:2014:411

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2014
Publicatiedatum
20 mei 2014
Zaaknummer
12/03614
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt deel veroordeling wegens innerlijke tegenstrijdigheid bewijs en verwijst terug

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling van zijn vader en verduistering van geldbedragen van diens rekening. Het hof had verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof een deel van de verklaring van verdachte, die het zelf als ongeloofwaardig beschouwde, toch als bewijsmiddel heeft gebruikt voor de bewezenverklaring van verduistering. Dit leidt tot een innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering die niet van ondergeschikte betekenis is. Hierdoor is het bewijs voor dat onderdeel onvoldoende betrouwbaar.

Hoewel het eerste middel, gericht op de mishandeling, faalt omdat de eigen verklaringen van verdachte de bewijsconstructie ondersteunen, slaagt het tweede middel. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor het onderdeel verduistering en de opgelegde straf daarvoor en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor het onderdeel verduistering en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 12/03614
Mr. Machielse
Zitting 4 maart 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 13 juli 2012 voor: 1 subsidiair: mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, en 4: verduistering, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
2. Mr. T. H. Kapinga, advocaat te Haarlem, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. N. van der Laan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van aangever onvoldoende betrouwbaar zijn. De pleitnota van hoger beroep heeft een scala van argumenten voorgehouden. Het hof heeft daarop slechts gereageerd door te verwijzen naar de te bezigen bewijsmiddelen. Het hof heeft geen inzicht geboden in zijn gedachtegang.
3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat
"1 subsidiair:
hij op 19 april 2008 te Heemstede, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [aangever], zijnde zijn verdachtes vader, heeft geschopt, immers heeft verdachte
- het looprek dat die [aangever] in zijn handen had en waar deze op steunde met kracht uit diens handen getrokken ten gevolge waarvan die [aangever] op de grond viel en
- die [aangever] tegen zijn lichaam geschopt, onder meer terwijl die [aangever] op de grond lag en vervolgens weg kroop, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden
4:
hij meermalen in de periode van 10 mei 2007 tot en met 25 maart 2008 te Heemstede telkens opzettelijk een geldbedrag, dat toebehoorde aan [aangever], zijnde de vader van verdachte, en welk geld verdachte als gemachtigde van de girorekening met nummer [00001] t.n.v. [aangever] en [betrokkene], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."
3.3. In zijn arrest heeft het hof aandacht geschonken aan de gevoerde verweren:
"Ter terechtzitting gevoerde verweren
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting namens de verdachte aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Het hof verwerpt dit verweer, dat zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen."
3.4. Bewijsmiddel 1 is de verklaring van verdachtes vader. Bewijsmiddel 2 is een medische verklaring over het geconstateerde letsel bij verdachtes vader. Het derde bewijsmiddel is een verklaring die verdachte zelf heeft afgelegd en waarin hij zegt dat hij het looprekje van zijn vader een zet/zwiep heeft gegeven waardoor zijn vader ten val kwam. In het vierde bewijsmiddel gaat verdachte daarop nog nader in. Daarin zegt hij dat zijn vader achter zijn looprekje stond, dat verdachte boos was en daarom met beide handen het looprekje heeft afgepakt en de andere kant op heeft gegooid. Zijn vader viel daarop op de grond, stond weer op en viel daarna opnieuw. Toen heeft verdachte zijn vader een schop tegen zijn onderbeen gegeven.
3.5. Door de eigen verklaring van verdachte wordt al het onderbouwd standpunt van de verdediging onderuit gehaald. Deze eigen verklaringen vormen de kern van de bewijsconstructie waarop de bewezenverklaring zonder meer kan worden opgebouwd. Het onderbouwde standpunt dat aan het hof is voorgehouden stuit dus al af op de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd en die het hof voor het bewijs heeft gebezigd.
Het middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof voor het bewijs van feit 4 een verklaring van verdachte heeft gebezigd die echter volgens het hof onaannemelijk is. Verdachte heeft beweerd dat hij gerechtigd was om € 100 per dag op te nemen. Het hof heeft dat blijkens zijn overwegingen in het verkort arrest niet aannemelijk geacht, maar in de aanvulling wel als bewijsmiddel de verklaring van verdachte opgenomen dat hij gerechtigd was om dat geld van de rekening af te halen. Aldus heeft het hof een door hemzelf ongeloofwaardig geachte verklaring voor het bewijs gebruikt.
4.2. Over feit 4 heeft het hof in het verkort arrest onder meer het volgende overwogen:
"Subsidiair heeft de raadsvrouw van de verdachte ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte zich de geldbedragen van de rekening wederrechtelijk heeft toegeëigend. De verdachte zou een afspraak met zijn vader hebben gemaakt dat hij deze geldbedragen op mocht nemen als betaling voor de zorg over zijn moeder.
De stelling van de verdachte dat hij een overeenkomst gesloten had met zijn vader, waarbij de verdachte toestemming had gekregen een geldbedrag van € 100,- per dag op te nemen als beloning voor de zorg van zijn moeder, wordt weerlegd door de verklaring van de vader van de verdachte die het bestaan van een dergelijke overeenkomst ontkent. Het hof overweegt voorts dat niet goed te begrijpen is dat een dergelijke overeenkomst - als hij tot stand is gekomen - niet op schrift is gesteld, gelet op het bestaan van een zuster van de verdachte; deze twijfel klemt temeer nu de verdachte uit hoofde van zijn opleiding en beroep als administrateur vertrouwd was met schriftelijke vastlegging van financiële gegevens. Ook het gegeven dat de verdachte de bedragen niet per bankoverschrijving op zijn rekening heeft overgemaakt, maar deze contant heeft opgenomen en in contanten op zijn kamer heeft bewaard doet het hof twijfelen aan het bestaan van de gestelde overeenkomst. Dit een en ander brengt het hof tot de conclusie dat de stelling van de verdachte niet aannemelijk is geworden. Het verweer wordt verworpen."
De aangifte van de vader van verdachte die als bewijsmiddel 6 in de aanvulling is opgenomen, houdt onder meer in dat verdachte door hem is gemachtigd om geld voor de huishouding op te nemen en daartoe een eigen pinpas heeft gekregen. In het begin had hij toestemming voor het opnemen van geld maar in 2007 nam verdachte geld op waarvoor de getuige geen toestemming had gegeven. Verdachte nam in 2007 telkens bedragen op van € 1000. Getuige durfde hier niets van te zeggen.
4.3. Voor het bewijs heeft het hof voorts onder meer een verklaring van verdachte gebruikt met de volgende inhoud:
"Ik had van mijn vader een pinpas gekregen om geld op te nemen voor boodschappen en allerlei andere zaken bestemd voor de huishouding. Het betrof een pinpas voor de rekening [00001]. Het kwam bij mijn vader vandaan dat hij het een goede zaak zou vinden dat ik een vergoeding zou krijgen. Ik mocht van mijn vader € 100,- per dag van de rekening afhalen, als vergoeding voor mijn werkzaamheden in de huishouding en ook voor de zorg van mijn moeder. Deze afspraak begon in mei 2007. U toont mij een lijst met opgenomen bedragen. Deze lijst kan goed kloppen. Ik mocht € 100,- per dag opnemen. Het grootste deel van het opgenomen geld lag op mijn slaapkamer. Ik heb ook een deel op mijn rekening gezet."
4.4. In bewijsmiddel 7 is een overzicht opgenomen van de opnames met een pas waarvan het hof kennelijk heeft aangenomen dat verdachte deze gebruikte. Dat overzicht toont dat verdachte in 2007 zeer regelmatig telkens bedragen van € 1000 heeft opgenomen. Hoewel deze opnames niet overeenkomen met de verklaring die verdachte heeft afgelegd, te weten dat hij € 100 per dag van de rekening zou mogen afhalen, schuilt de echte tegenstrijdigheid in de bewijsconstructie van het hof niet hierin, maar in de onoverbrugbare kloof tussen enerzijds de geciteerde overwegingen van het hof in het verkort arrest waarin het oordeelt dat de door verdachte beweerde afspraak niet aannemelijk is, gevoegd bij de inhoud van bewijsmiddel 6, en anderzijds de ook voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte dat hij € 100 per dag mocht opnemen. Het een strookt niet met het ander. De bewijsvoering is daarom op een punt dat niet slechts van ondergeschikte betekenis is innerlijk tegenstrijdig. [1]
Het middel is terecht voorgesteld.
5. Het eerste middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel slaagt naar mijn oordeel. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de veroordeling voor feit 4 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.HR 13 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5708; HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9187; HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5014; HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0094.