ECLI:NL:PHR:2014:418

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2014
Publicatiedatum
20 mei 2014
Zaaknummer
13/01479
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 395 lid 2 onder c SvArt. 410a lid 1 SvArt. 416 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende aantekening vonnis in proces-verbaal niet onrechtmatig

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter wegens overtreding van artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994, waarbij verdachte was veroordeeld tot twee weken hechtenis.

Verdachte stelde dat het hof ambtshalve de zaak inhoudelijk had moeten behandelen omdat de kantonrechter in strijd met artikel 395 lid 2 onder Pro c Sv het vonnis niet in het proces-verbaal van de terechtzitting had aangetekend. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel deze aantekening inderdaad ontbrak, dit niet leidde tot onontvankelijkheid van het hoger beroep. Het hof hoefde de zaak niet ambtshalve inhoudelijk te behandelen omdat verdachte zelf tijdig hoger beroep had ingesteld en niet was verhinderd grieven in te dienen.

De Hoge Raad benadrukte dat de rechter in hoger beroep weliswaar de vrijheid heeft om ambtshalve tot inhoudelijke behandeling over te gaan, maar dit niet verplicht is bij het ontbreken van de aantekening. Het hof had voldoende stukken om het vonnis te beoordelen en zag geen aanleiding tot inhoudelijke behandeling. Het middel van verdachte faalde en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte werd terecht niet-ontvankelijk verklaard ondanks het ontbreken van de aantekening van het vonnis in het proces-verbaal.

Conclusie

Nr. 13/01479
Zitting: 1 april 2014
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (kantonrechter) waarbij verdachte wegens overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994 is veroordeeld tot twee weken hechtenis.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummer 13/01220 en 13/01479. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. J.F. Grégoire, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel houdt in dat het Hof ambtshalve had moeten beslissen om de zaak inhoudelijk te behandelen nu de kantonrechter in eerste aanleg in strijd met het bepaalde in art. 395 lid 2 onder Pro c Sv heeft verzuimd het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting aan te tekenen.
5. Het middel stelt terecht dat de kantonrechter heeft verzuimd het vonnis overeenkomstig het bepaalde in art. 395 lid 2 onder Pro c Sv in het proces-verbaal van de terechtzitting aan te tekenen. Het hoger beroep is immers binnen drie maanden na de uitspraak ingesteld terwijl hier geen sprake is van een vonnis als bedoeld in art. 410a lid 1 Sv nu de verdachte bij dat vonnis is veroordeeld tot het twee weken hechtenis.
6. Verdachte heeft in persoon hoger beroep ingesteld. Het kan hem dus niet hebben verrast dat hij in hoger beroep werd gedagvaard. De dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt ter griffie van de Rechtbank nadat de dagvaarding was aangeboden op het GBA-adres van de verdachte en aldaar werd medegedeeld dat de verdachte daar niet woonachtig was. Verdachte klaagt niet over de deugdelijkheid van deze betekening van de dagvaarding in hoger beroep. Er moet dus van worden uitgegaan dat hij bij het instellen van hoger beroep gelegenheid heeft gehad grieven in te dienen en/of ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen om bezwaren tegen het beroepen vonnis in te brengen.
7. Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat het Hof bij gebreke van aantekening van het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting niet goed heeft kunnen beoordelen of het vonnis in stand kon blijven.
8. Zoals de parlementaire geschiedenis van de Wet stroomlijnen hoger beroep laat zien [1] gaat de wetgever ervan uit dat Openbaar Ministerie en verdachte kenbaar maken welke bezwaren zij hebben tegen de uitspraak waarvan zij in beroep zijn gekomen. Het hoger beroep hoeft noch het Openbaar Ministerie noch de verdachte te beschermen tegen eigen inactiviteit. Daar staat tegenover dat de rechter niettemin de vrijheid houdt tot behandeling over te gaan en dan tot een ander oordeel te komen [2] en ambtshalve geconstateerde fouten te herstellen. De appelrechter behoudt immers volledig de eigen verantwoordelijkheid voor een juiste beantwoording van alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. [3] Gelet op die verantwoordelijkheid zal de rechter in hoger beroep, ook al ontbreken grieven of bezwaren tegen het beroepen vonnis en is de verdachte in hoger beroep niet verschenen, het vonnis waarvan beroep ambtshalve dienen te onderzoeken op een juiste beantwoording van alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Onder omstandigheden kan die verantwoordelijkheid meebrengen dat hij de zaak inhoudelijk ter terechtzitting moet behandelen, namelijk wanneer bedoeld onderzoek hem aanwijzingen oplevert dat een of meer vragen van de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter in het vonnis waarvan beroep in zijn ogen niet juist zijn beantwoord en hij daar zijn antwoord voor in de plaats zal moeten stellen.
9. Voor de deugdelijkheid van bedoeld onderzoek is niet steeds noodzakelijk dat het vonnis is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. De rechter in hoger beroep beschikt immers ook over de stukken van het geding. Het Hof heeft dan ook in het ontbreken van de aantekening van het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting geen aanleiding behoeven te zien – en ook niet gezien - de zaak inhoudelijk ter terechtzitting in hoger beroep te behandelen.
10. Het middel faalt.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 8, 11-13, 39, Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 6, p. 9-10, Kamerstukken I 2005-2006, 30 320, C, p. 1-2.
2.HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:15, rov. 2.4, tweede volzin.
3.Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 8, nr. 6, p. 9-10.