Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
terugkoopverplichtingvan Unilever met betrekking tot al de preferente op de beurs verhandelbare aandelen aan te kunnen nemen, is in beginsel vereist dat die verplichting uit de statuten blijkt. Dat volgt uit de voor naamloze vennootschappen ingevolge de wet vereiste openbaarheid van inrichting, welke er onder meer toe noopt dat in elk geval de belangrijke (wederzijdse) rechten en plichten die aan aandelen zijn verbonden algemeen kenbaar zijn. Zulks geldt zeker voor een verplichting van de vennootschap om een bepaalde categorie aandelen terug te kopen, aangezien een dergelijke verplichting de onderhavige deelname in het kapitaal van Unilever in belangrijke mate bepaalt, hetgeen ook voor de belangen van derden, onder wie houders van gewone aandelen, van betekenis is.
nieteen verplichting tot terugkoop wilde aangaan (zie rov. 2.16). Vervolgens oordeelt het hof dat de overige aan de orde zijnde uitlatingen en gedragingen van Unilever, gezien de betekenis die aan de statuten en de hiervoor bedoelde teksten moet worden toegekend, slechts dan reden kunnen vormen om aan te nemen dat Unilever zich tot terugkoop heeft verplicht, indien die uitlatingen en gedragingen omtrent terugkoop duidelijk van inhoud en van gezaghebbende zijde afkomstig waren. Aan dat laatste is hier naar oordeel van het hof echter niet voldaan (zie rov. 2.18).
sheets[evenmin] staat […] dat Unilever zich tot terugkoop heeft verplicht.” Het onderdeel klaagt dat het hof er met deze oordelen ten onrechte van uitgegaan is dat de in rov. 2.14 en 2.15 aan de orde zijnde schriftelijke uitlatingen en sheets ‘grammaticaal’ uitgelegd dienen te worden. Het oordeel zou op dit punt getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
nieteen verplichting tot terugkoop wilde aangaan. In aansluiting daarop overweegt het hof in rov. 2.17: “Daarbij komt dat voor een dergelijke terugkoop ingevolge artikel 2:98, lid 4, BW het bestuur een machtiging van de algemene vergadering van aandeelhouders behoefde, van welke machtiging – die nooit is verleend – niets uit de genoemde teksten blijkt.”
gehouden was(een juridische verplichting had) tot inkoop van de preferente aandelen. Voor zover betoogd wordt dat sprake was van een aan de preferente aandelen verbonden
terugkoopverplichtingvan Unilever, stuit het betoog af op het in rov. 2.11 t/m 2.20 gegeven oordeel dat niet aangenomen kan worden dat op Unilever een terugkoopverplichting is komen te rusten. De stelling dat sprake is van een aan de preferente aandelen verbonden recht op
schadevergoeding, is in rov. 2.22 uitdrukkelijk verworpen. Dit betekent dat ook onderdeel IX.1 verworpen dient te worden.
anderendan [eiser 2] en (de rechtsvoorgangers van) Clay Hill er in de periode vóór het persbericht van 24 maart 2004 op vertrouwden dat Unilever zou overgaan tot terugkoop van de preferente aandelen, dat gegeven geen aanleiding kan zijn om aan te nemen dat sprake was van een verplichting tot inkoop van alle preferente aandelen. Naar oordeel van het hof heeft men destijds namelijk hooguit mogen aannemen dat er een ‘grote kans’ bestond dat Unilever in de toekomst zou besluiten tot terugkoop van de preferente aandelen (zie rov. 2.20; vgl. ook rov. 6.10 t/m 6.13 van het eindvonnis in eerste aanleg). Dat Unilever de
intentiezou hebben gehad om het vertrouwen te wekken dat zij tot terugkoop zou overgaan, kan naar oordeel van het hof evenmin aanleiding zijn voor het aannemen van een terugkoopverplichting (zie met name rov. 2.18; vgl. rov. 6.7 en 6.10 t/m 6.13 van het eindvonnis in eerste aanleg). Deze oordelen, die geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk zijn, worden in cassatie niet met succes bestreden. Het met onderdeel X bestreden oordeel dat de bewijsaanbiedingen betreffende het gestelde vertrouwen van marktpartijen en betreffende de gestelde intentie van Unilever, als niet ter zake dienend (althans onvoldoende gespecificeerd) gepasseerd dienen te worden, geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting; dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het passeren van de bewijsaanbiedingen wordt ook voor het overige niet met succes bestreden. Slotsom is derhalve dat de klachten van onderdeel X verworpen dienen te worden.