Conclusie
‘semi-submersibles’), die met ankers aan de zeebodem werden vastgelegd. Dit betekent onder meer dat niet is uitgesloten dat een dergelijk drijvend boorplatform onder omstandigheden kan afdrijven van de boorput.
‘drill string’). De boorstang bevindt zich in een stijgbuis (
‘riser’) die vanaf het boorplatform wordt neergelaten. Nabij de zeebodem bevindt zich de
‘lower riser package’(LRP), waarvan een zogenaamde
‘flex joint’deel uitmaakt. De
‘flex joint’verbindt de stijgbuis met de LRP en maakt het mogelijk dat de stijgbuis enigszins in een hoek kan staan ten opzichte van de LRP zonder af te breken. Indien het boorplatform, bijvoorbeeld in een storm, zo ver van de boorput afdrijft dat de
‘flex joint’dit niet kan opvangen, is het van belang dat de boorput snel kan worden afgesloten en dat de stijgbuis van de LRP kan worden losgekoppeld.
‘kick’) en (ii) de boorput geheel af te sluiten, bijvoorbeeld in een noodsituatie (zie hiervoor onder 1.4). Daartoe wordt de stijgbuis voorzien van een installatie die BOP (
‘blow out preventer’) wordt genoemd en die in een conventioneel systeem deel uitmaakt van de LRP en zich dus nabij de zeebodem bevindt. Een BOP bevat verschillende onderdelen waarmee de stijgbuis kan worden afgesloten. Een
‘annular’is een soort rubberen ring die opgepompt kan worden en die daardoor de ruimte tussen de boorstang en de stijgbuis afsluit. Daarnaast zal een BOP verschillende
‘rams’bevatten. Een
‘ram’bestaat uit twee tegenover elkaar liggende metalen schuiven die in de stijgbuis kunnen worden geschoven.
‘Blind rams’kunnen de boorput afsluiten mits zich daarin geen boorstang bevindt.
‘Pipe rams’hebben een opening waardoor zij rond de boorstang passen en aldus de stijgbuis afsluiten. Omdat de boorstang niet steeds dezelfde diameter heeft zijn verschillende maten
‘pipe rams’nodig.
‘Sheer rams’snijden de boorstang door en sluiten daarmee de stijgbuis af. Het samenstel van verschillende
‘blow out preventers’wordt aangeduid als een
‘BOP stack’.
‘kick’voordoet en de stijgbuis door een BOP wordt afgesloten, wordt de druk in de boorput weer onder controle gebracht door middel van
‘chokeen
kill lines’door middel waarvan boorspoeling in en uit de stijgbuis kan worden gepompt. Deze
‘chokeen
kill lines’zijn aan de
‘BOP stack’verbonden door middel van
‘mini connectors’.
‘collet connectors’(hydraulische verbindingen) die de putmond (
‘wellhead’) met de
‘BOP stack’en de
‘BOP stack’met de
‘flex joint’of de daartussen geplaatste
‘annular BOP’verbinden.
‘BOP-stack’waarmee de druk in de boorput kon worden gereguleerd (functie (i) hiervoor genoemd onder 1.5), boven het zeeoppervlak te situeren, een zogenoemde
‘surface BOP’. Voordeel van een
‘surface BOP”zou onder meer kunnen zijn dat met veel kortere (en dus lichtere en goedkopere)
‘chokeen
kill lines’zou kunnen worden volstaan.
‘risers’met een kleinere diameter, de zogenaamde
‘slender well’technologie. DWSW c.s. richten zich op het ontwerpen van
‘slender well’technologie.
‘Minor Services Contract’gesloten. Deze overeenkomst hield in dat DWSW c.s. een
‘Conceptual Design of Slender Wells’zouden ontwikkelen voor boorlocaties in West-Afrika en Australië. Dit contract heeft geresulteerd in een rapport (
‘Slender Well Concept Study’) van 31 augustus 1998 dat aan Shell is overhandigd.
‘West African Deepwater Operations’oftewel: WADO).
‘Slender Well Concept’bij het boren naar olie in diep water voor de kust van West-Afrika. DWSW c.s. hebben bij het opstellen van het daaruit resulterende rapport gebruik gemaakt van de diensten van [A] en Sedco Forex als ‘onderaannemers’ van DWSW c.s.
‘Confidentiality Agreement’gesloten.
‘Technical and Economic Feasability of a Slender Well Drilling Vessel’) dat onder leiding van DWSW c.s. maar met inbreng van [A] en Sedco Forex tot stand is gebracht. Dit WADO-rapport is op 8 september 1999 aan Shell overhandigd. Het WADO-rapport bestaat uit twee delen: het eerste deel (
‘Volume 1-Report’, hierna: WADO I) bevat het eigenlijke rapport, het tweede deel (
‘Volume 2-Appendices’, hierna: WADO II) bevat de bijlagen bij WADO I.
‘Confidentiality Agreement’en/of op onrechtmatige wijze knowhow, die DWSW hebben ontwikkeld, heeft toegeëigend en aangewend. Zij hebben hierover eerst een procedure in Texas aanhangig gemaakt, maar de rechter daar heeft zich tot in hoogste instantie onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen.
‘Slender Well Concept Study’hetzij het werk dat DWSW c.s. hebben verricht in het kader van de WADO-overeenkomst, aldus de rechtbank.
‘Confidentiality Agreement’, althans onrechtmatig jegens DWSW heeft gehandeld;
‘surface BOP’-systeem in combinatie met (ii) een
‘minimal subsea BOP’-systeem (hierna: het DWSW-systeem). Ten opzichte van het hiervoor beschreven conventionele systeem, zijn in het DWSW-systeem de twee
‘BOP double units’en de onderste
‘annular BOP’verwijderd uit de LRP en vervangen door een
‘surface BOP’-systeem aan het zeeoppervlak, bijvoorbeeld een
‘BOP Triple Unit’met drie rammen. Door middel van deze
‘surface BOP’vindt de controle van de druk in de boorput plaats. Aan deze
‘surface BOP’zijn dan ook de
‘chokeen
kill lines’bevestigd. Op de zeebodem blijft achter een LRP bestaande uit een
‘collet connector’(die de
‘wellhead’met de
‘minimal BOP’verbindt), een
‘minimal BOP’(bijvoorbeeld een
‘annular BOP’), een tweede
‘collet connector’die de
‘minimal BOP’met de
‘flexjoint’verbindt, alsmede de
‘flexjoint’. Door middel van deze
‘minimal BOP’kan de boorput worden afgesloten, terwijl vervolgens door middel van de bovenste
‘collet connector’de stijgbuis eenvoudig van de LRP kan worden losgekoppeld.
‘minimal BOP’worden afgesloten, kan een betrouwbare en snelle ontkoppeling van de stijgbuis plaatsvinden en kan deze daarna weer eenvoudig worden vastgekoppeld. Omdat de
‘chokeen
kill lines’aan de
‘surface BOP’worden bevestigd kunnen deze korter (en dus goedkoper) zijn en kan de druk die in lange leidingen ontstaat, worden vermeden. Het verwisselen van de rammen in de
surface BOP’kan relatief eenvoudig nabij het wateroppervlak gebeuren. Dit in tegenstelling tot een
‘subsea BOP’, die alle noodzakelijke pijprammen in diverse diameters moet bevatten. Het DWSW-systeem is lichter dan conventionele boorsystemen, doordat de
‘chokeen
kill lines’korter kunnen zijn en minder pijprammen nodig zijn, hetgeen betekent dat met lichtere en goedkopere boorinstallaties kan worden volstaan. Ten slotte is het voordeel van het DWSW-systeem dat het uit bestaande en beschikbare componenten kan worden samengesteld, aldus nog steeds DWSW c.s.
‘BOP Stack (Minimum)’is volgens DWSW c.s. een beschrijving van het DWSW-systeem. De op pagina’s 005085-005086 genoemde
‘Elf BOP Stack’is een beschrijving van het conventionele systeem. Voor degene voor wie het WADO-rapport bestemd was (‘de (Shell) vakman’) is direct duidelijk dat in de onderdelenlijst iets nieuws wordt geopenbaard, te weten het DWSW-systeem. Dat sprake is van een
‘surface BOP’wordt volgens DWSW c.s. voor de vakman duidelijk door het gebruik van een
‘BOP Triple Unit’, aangezien een dergelijk systeem met slechts drie rammen indertijd en onder de gegeven omstandigheden alleen aan de oppervlakte mocht worden gebruikt. Dat sprake is van een
‘minimal BOP’op de zeebodem volgt uit het feit dat de onderdelenlijst van de LRP slechts één BOP noemt. Dit moet een
‘annular BOP’zijn, nu daarbij geen sets rammen worden vermeld. DWSW c.s. wijzen op een aantal door haar overgelegde verklaringen van deskundigen die het standpunt van DWSW c.s. bevestigen.
‘Confidentiality Agreement’, alsmede in strijd met de zorgvuldigheid, aangewend bij olieboringen en aan derden geopenbaard, onder meer door het doen van octrooiaanvragen. Voor de schade die DWSW c.s. als gevolg daarvan hebben geleden dient Shell hun schadeloos te stellen, aldus DWSW c.s.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Principal Well Engineer[curs. hof; W-vG] bij Shell, die beiden verklaren dat wat in de onderdelenlijst wordt onthuld een conventioneel boorsysteem is. De deskundigheid van dr. Schubert heeft DWSW niet in twijfel getrokken. De deskundigheid van Tarr heeft DWSW op zichzelf evenmin in twijfel getrokken, wel stelt DWSW dat Tarr geen onafhankelijke deskundige is maar een door Shell aangedragen partijgetuige, die de opdracht heeft de zaken voor Shell op een zo gunstig mogelijke wijze voor te stellen. Dat zou dan ook voor Schubert gelden, die de verklaring van Tarr kritiekloos onderschrijft (pleitnota mr. Hermans onder 43). Het hof ziet echter niet in waarom het de onafhankelijkheid van de door Shell naar voren gebrachte deskundigen wel en die van DWSW, die toch ook door haar zullen zijn gehonoreerd, in twijfel zou trekken.
subsea BOP-systeem bij een druk vanaf 5 Kpsi (kilo pounds per square inch) minimaal drie
ram BOP’sen één
annular BOPdient te hebben, en dat dit precies het systeem is dat met de onderdelenlijst wordt beschreven. DWSW heeft daartegen in gebracht dat de richtlijnen van API slechts minimum eisen betreffen die in de praktijk door oliemaatschappijen als Shell en Elf als onvoldoende worden beschouwd, en dat DWSW zichzelf belachelijk zou hebben gemaakt indien zij een dergelijk systeem zou hebben voorgesteld. Wat er van deze discussie ook zij, voor het hof is doorslaggevend dat volgens de hierboven weergegeven passage uit WADO I volgens de opsteller van het rapport zelf, DWSW, het minimum vereiste 3
ramsen één
annularis. DWSW heeft erkend dat WADO I geen verwijzing naar het DWSW-systeem bevat, dus het op pagina 9 van WADO I aangeduide minimum-systeem kan niet het DWSW-systeem zijn. Het ligt dan ook voor de hand dat waar in de bijlagen bij WADO I, door middel van de onderdelenlijst, de kosten van een “BOP Stack (minimum)” worden weergegeven, bedoeld is te refereren aan het op pagina 9 van WADO I genoemde minimum-systeem. Dit wordt nog versterkt door het feit dat de daaraan voorafgaande lijst met onderdelen voor een “Elf BOP Stack” kennelijk refereert aan het andere, eveneens op pagina 9 van WADO I genoemde systeem, te weten een systeem met 4 of 5
ramsen twee
annulars, hetgeen ook volgens DWSW een conventioneel
subseasysteem weergeeft. Tegen deze achtergrond is dan ook niet van belang of het “BOP Stack (Minimum)” een systeem beschrijft dat Shell ongewijzigd in de praktijk zou willen brengen. Het gaat er om dat DWSW, om welke reden ook, blijkens pagina 9 van WADO I zelf aandacht heeft willen besteden aan het minimaal vereiste systeem en de kosten daarvan ook in de bijlagen, opgenomen in WADO II, heeft willen uitwerken. Overigens acht het hof het zonder meer aannemelijk dat de achtergrond van de onderdelenlijst is, dat DWSW niet heeft willen volstaan met het berekenen van de kosten die gemoeid zouden zijn met een systeem volgens de eisen van Elf (en Shell), maar daarbij ter vergelijking ook de kosten van een systeem volgens de door de brancheorganisatie uitgebrachte (minimum)aanbevelingen heeft opgenomen.
eerste onderdeelbetoogt [11] – ten onrechte en zonder motivering voorbij is gegaan aan de relevante stelling van DWSW c.s. dat de DWSW-knowhow aan Shell is geopenbaard, in die zin dat Shell ‘feitelijke (subjectieve) kennis’ had van die knowhow op basis van (de onderdelenlijst in) het WADO-rapport, welke stelling DWSW c.s. hebben aangevoerd in hun memorie van grieven, drie producties die bij akte zijn overgelegd en in de pleitnota van mr. Hermans in hoger beroep.
“Technical and Economic Feasability of a Slender Well Drilling Vessel”(het “WADO-rapport”) van september 1999. Dit rapport is aan Shell overhandigd op 8 september 1999. Het rapport bestaat uit twee delen.
surface BOPwordt voor de vakman duidelijk door het uit het gebruik van een
“BOP Triple Unit”. Het WADO-rapport gaat uit van boorputten gelegen in een waterdiepte van 1500 meter, met een verticale putdiepte van 3000 meter onder de zeebodem (
True Vertical Depth (TVD) below mud-line) (resulterend een totale diepte van 4500 meter) in West-Afrikaanse omstandigheden, die corresponderen met een druk van meer dan 5000 psi. Een
BOP Triple Unit”, met slechts drie rams, werd en mocht indertijd onder de gegeven drukomstandigheden uitsluitend aan de surface worden gebruikt. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van de indertijd geldende richtlijnen in de olie-industrie.
“BOP annular”wordt gerekend. Zie p. 000585, bovenste tabel, zevende onderdeel.”
hadvan de DWSW-knowhow op basis van de onderdelenlijst in het WADO-rapport [15] .
had. Ook in de daarop volgende toelichtingen: “Dat sprake is van een
surface BOPwordt voor de vakman duidelijk door het uit het gebruik van een “BOP Triple Unit” (…)” en “Dat sprake is van een minimale BOP volgt (hetgeen de vakman zo ook zou begrijpen) uit het feit dat de onderdelenlijst van de LRP (die zich op de zeebodem bevindt) slechts één blow out preventer noemt (…)”, ligt een dergelijke stelling niet besloten.
had. Zie bijvoorbeeld die pleitnota onder 22: “De wijze waarop de know how is geopenbaard, is op het eerste gezicht voor een leek niet meteen te bevatten, maar voor de destijds bij het WADO project betrokken Shell experts, die daarbij niet alleen door hun kennis maar ook nog eens door de context waarin dat rapport was geschreven werden geholpen, was het onmiddellijk duidelijk.”
tweede onderdeel [17] dat indien het hof – in het bijzonder in de rechtsoverwegingen 3.2 (eerste zin) en 3.7 – heeft geoordeeld dat DWSW c.s. enkel hebben aangevoerd dat een deskundige uit de onderdelenlijst direct zou zien dat het daarbij om iets nieuws (het DWSW-systeem) gaat, en niet tevens dat de DWSW-knowhow aan Shell is geopenbaard, in die zin dat Shell ‘feitelijke (subjectieve) kennis’ had van de DWSW-knowhow op basis van (de onderdelenlijst in) het WADO-rapport, de uitleg door het hof van de stellingen van DWSW c.s. onbegrijpelijk is, omdat Shell de stellingen van DWSW c.s. wèl aldus heeft verstaan dat die tevens zien op de omstandigheid dat Shell de DWSW-knowhow feitelijk heeft afgeleid uit de onderdelenlijst. Shell bestrijdt deze lezing [18] .
“De (Shell) vakman”
subsea BOPlezen, die aan de minimumvereisten voldoet, geldend voor het type diepwaterboringen waarop het rapport betrekking had.
heeftopgevat.
Productie S HB 33). [eiser 4] stelt in zijn bewijsaanbod dat [betrokkene 2] een kopie van deel 2 van het WADO-rapport zou hebben ontvangen. [20] [betrokkene 2] ontkent dat, maar belangrijker is zijn verklaring dat hij, na door de advocaten van Shell met de Onderdelenlijst te zijn geconfronteerd, daarin niet de beweerdelijke knowhow van [eiser 4] leest. Hij is van mening dat de Onderdelenlijst net als de Elf
BOPOnderdelenlijst een conventionele
subsea BOPtoont. [21]
Productie S HB 34). [eiser 4] stelt in zijn bewijsaanbod dat hij aan [betrokkene 3], op zijn verzoek, een kopie van deel 2 van het WADO-rapport zou hebben toegezonden en dat hij zou kunnen getuigen over hetgeen in de Onderdelenlijst wordt geopenbaard. [22] [betrokkene 3] verklaart dat hij zich niet kan herinneren enig deel van het WADO-rapport te hebben ontvangen en zeker ook niet dat hij deel 2 van het WADO-rapport bij [eiser 4] zou hebben opgevraagd. Maar belangrijker is zijn verklaring dat hij, na door de advocaten van Shell met de Onderdelenlijst te zijn geconfronteerd, daarin niet de beweerdelijke knowhow van [eiser 4] leest. Ook [betrokkene 3] is van mening dat de Onderdelenlijst net als de Elf
BOPonderdelenlijst een conventionele
subsea BOPtoont. [23]
Productie S HB 36), die ook door [eiser 4] in zijn bewijsaanbod wordt genoemd en die samen met [eiser 4] betrokken was bij de totstandkoming van het Consultancy Contract. [24] Ook [betrokkene 4] verklaart dat hij in de Onderdelenlijst slechts een conventionele
subsea BOPontwaart. [25]
‘subsea BOP’zou lezen, die aan de minimumvereisten voldoet, geldend voor het type diepwaterboringen waarop het rapport betrekking had, hetgeen ten eerste uitdrukkelijk uit de verklaringen van Schubert en Tarr volgt, maar bovendien uit de verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Dat laatste is, aldus Shell, veelzeggend: “De lakmoesproef van de vraag hoe “de (Shell) vakman” de Onderdelenlijst zou opvatten, is immers de toets hoe de Shell vakman de Onderdelenlijst
heeftopgevat.” Dat de (Shell) vakman in de Onderdelenlijst een conventionele
‘subsea BOP’leest, heeft Shell vervolgens onder 129-131 onderbouwd met verklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4].
derde onderdeelbevat twee klachten. Volgens de eerste klacht [26] is het hof in strijd met het recht, althans onvoldoende gemotiveerd, voorbij gegaan aan het relevante en concrete bewijsaanbod van DWSW c.s. in hoger beroep om getuigen te horen ten aanzien van de stelling van DWSW c.s. dat Shell ‘feitelijke (subjectieve) kennis’ had van de DWSW-knowhow op basis van (de onderdelenlijst in) het WADO-rapport [27] . DWSW c.s. verwijzen voor dit bewijsaanbod in de eerste plaats naar hun memorie van grieven tevens akte houdende eiswijziging onder 189. Daarin staat vermeld:
head of drillingvan Shell Deep Water;