ECLI:NL:PHR:2014:435
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring vervolging wegens overlijden verdachte en gevolgen voor benadeelde partij
In deze zaak stond centraal de vraag wat de gevolgen zijn van het overlijden van een verdachte tijdens het cassatieberoep voor de vervolging en de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad bracht naar voren dat op grond van artikel 69 Sr Pro het recht tot strafvordering vervalt bij overlijden van de verdachte, waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.
De benadeelde partij had in hoger beroep een vordering tot schadevergoeding toegewezen gekregen, maar het overlijden van de verdachte vond plaats nadat het hof deze beslissing had genomen. De conclusie stelt dat ook voor de benadeelde partij een expliciete beslissing over haar niet-ontvankelijkheid gewenst is, omdat deze voortvloeit uit de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en er geen onherroepelijke beslissing over de schadevergoeding is genomen.
De conclusie adviseert de Hoge Raad het bestreden arrest te vernietigen behalve voor zover het vonnis van de rechtbank is vernietigd, de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging en de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. Dit om duidelijkheid te verschaffen aan de benadeelde partij en de procedure correct af te ronden.
De zaak benadrukt het belang van een expliciete beslissing in cassatie over de status van de benadeelde partij wanneer de verdachte overlijdt tijdens het hoger beroep, en sluit aan bij eerdere jurisprudentie en literatuur over artikel 69 Sr Pro.
Uitkomst: De officier van justitie en de benadeelde partij worden niet-ontvankelijk verklaard wegens overlijden van de verdachte.