ECLI:NL:PHR:2014:435

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2014
Publicatiedatum
27 mei 2014
Zaaknummer
12/05807
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 SrArt. 361.2 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring vervolging wegens overlijden verdachte en gevolgen voor benadeelde partij

In deze zaak stond centraal de vraag wat de gevolgen zijn van het overlijden van een verdachte tijdens het cassatieberoep voor de vervolging en de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad bracht naar voren dat op grond van artikel 69 Sr Pro het recht tot strafvordering vervalt bij overlijden van de verdachte, waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

De benadeelde partij had in hoger beroep een vordering tot schadevergoeding toegewezen gekregen, maar het overlijden van de verdachte vond plaats nadat het hof deze beslissing had genomen. De conclusie stelt dat ook voor de benadeelde partij een expliciete beslissing over haar niet-ontvankelijkheid gewenst is, omdat deze voortvloeit uit de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en er geen onherroepelijke beslissing over de schadevergoeding is genomen.

De conclusie adviseert de Hoge Raad het bestreden arrest te vernietigen behalve voor zover het vonnis van de rechtbank is vernietigd, de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging en de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. Dit om duidelijkheid te verschaffen aan de benadeelde partij en de procedure correct af te ronden.

De zaak benadrukt het belang van een expliciete beslissing in cassatie over de status van de benadeelde partij wanneer de verdachte overlijdt tijdens het hoger beroep, en sluit aan bij eerdere jurisprudentie en literatuur over artikel 69 Sr Pro.

Uitkomst: De officier van justitie en de benadeelde partij worden niet-ontvankelijk verklaard wegens overlijden van de verdachte.

Conclusie

Nr. 12/05807
Mr. Spronken
Zitting: 22 april 2014
Aanvullende conclusie inzake:
[verdachte]
Op 14 januari 2014 heb ik een conclusie genomen in deze zaak, waarin ik de Hoge Raad adviseerde het bestreden arrest gedeeltelijk te vernietigen en de zaak te verwijzen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om deze in zoverre opnieuw te berechten en af te doen.
Ten tijde van het nemen van de conclusie was mij niet bekend dat verdachte was overleden. Inmiddels is echter uit een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente gebleken dat verdachte daar op 15 juni 2013 is overleden. Daarom is op basis van art. 69 Sr Pro het recht tot strafvordering vervallen.
Hieruit vloeit voort dat de bestreden uitspraak - behalve voor zover daarbij het vonnis in eerste aanleg is vernietigd - en het ten dele bevestigde vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2011 niet in stand kunnen blijven, en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. [1]
4. Dat lot treft tevens de door het hof toegewezen vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A]. [2] Wat ik mij in dit verband heb afgevraagd is, of in het geval dat op de vordering van de benadeelde partij door het hof in hoger beroep ten gunste van de benadeelde partij is beslist en de verdachte hangende het cassatieberoep overlijdt, in cassatie ook expliciet een beslissing zou moeten volgen met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Het lijkt mij voor de benadeelde partij in een dergelijke situatie van belang een duidelijke (eind)beslissing te krijgen. Ik heb met betrekking tot een casus als de onderhavige geen jurisprudentie kunnen vinden en de commentaren van Valkenburg in T&C Sr en Noyon/Langemeijer & Remmelink bij art. 69 Sr Pro [3] gaan hier niet met zoveel woorden op in. Strikt genomen vloeit de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij voort uit de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Immers daardoor volgt er geen beslissing zoals bedoeld in art. 361, tweede lid Sv, waarin is bepaald dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk zal zijn in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd of in geval van toepassing van art. 9a Sr. Normaliter zal de rechter in eerste aanleg, in het geval dat de verdachte is overleden hangende de procedure in eerste aanleg, niet meer toekomen aan de behandeling van de vordering van de benadeelde partij. In onderhavige zaak blijkt echter pas in cassatie dat de verdachte is overleden.
5. Gelet op het voorgaande, met name om duidelijkheid te verschaffen aan de benadeelde partij, geef ik de Hoge Raad in overweging, nu de vordering van de benadeelde partij [A] in hoger beroep is toegewezen en verdachte nadien is overleden, ook over haar vordering een expliciete beslissing te nemen en haar niet-ontvankelijk te verklaren.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behalve voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank voor het overige, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [A] in haar vordering tot schadevergoeding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 14 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC3700.
2.Zie W.E.C.A. Valkenburg, in aant. 1 bij art. 69 Sr Pro, T&C Sr 2012.
3.Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, artikel 69 Sr Pro, aant. 2 (bijgewerkt tot 1 november 2004).