ECLI:NL:PHR:2014:440

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 mei 2014
Publicatiedatum
28 mei 2014
Zaaknummer
14/01871
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 426a lid 1 RvArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling

Het cassatieberoep betreft de beslissing van het gerechtshof Amsterdam om de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, zoals uitgesproken door de rechtbank, te bekrachtigen. Het hof oordeelde dat verzoekster toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de regeling.

Het cassatieverzoekschrift was aanvankelijk niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, maar dit werd binnen de gestelde termijn hersteld. Desondanks voldoen de in het verzoekschrift aangevoerde middelen niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv. De motiveringsklachten zijn onvoldoende concreet en de vindplaatsen van de stellingen ontbreken, waardoor het beroep niet ontvankelijk is.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt deze conclusie, waarmee het beroep wordt afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gemotiveerde middelen en procedurele gebreken.

Conclusie

14/01871
Mr. L. Timmerman
Zitting 16 mei 2014
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
(hierna [verzoekster]).
1. Het voorliggende cassatieberoep richt zich tegen de beslissing van het gerechtshof Amsterdam (arrest van 1 april 2014) om de in eerste aanleg uitgesproken tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (vonnis van 29 januari 2014) te bekrachtigen. Het hof was met de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van verscheidene uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
2 Het cassatieverzoekschrift dat namens [verzoekster] door mr. P.A. van der Waal op 9 april 2014 is ingediend voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, aangezien het niet is ingediend noch is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek is hersteld door indiening op 11 april 2014, derhalve binnen twee weken, van hetzelfde verzoekschrift met ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad (vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:BI0773).
3 Beide in het verzoekschrift opgeworpen middelen voldoen evenwel niet aan de eraan te stellen eisen. De middelen bevatten motiveringsklachten die niet met bepaaldheid en precisie vermelden welke beslissing of overweging uit het uitvoerig gemotiveerde arrest van het hof onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Voorts zijn de motiveringsklachten gebaseerd op stellingen die in feitelijke instanties zijn aangevoerd, maar zijn de vindplaats(en) van die stellingen in de stukken van het geding niet vermeld. Het gevolg hiervan is dat [verzoekster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar cassatieberoep (zie art. 407 lid 2 Rv Pro en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639).
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G