Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“A2.
De raadsman heeft namens verdachte bepleit dat deze dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat er wel degelijk een lening van verdachte aan [medeverdachte 1] heeft plaatsgevonden en dat mocht [medeverdachte 1] al crimineel geld hebben gebruikt, verdachte hier niets van af wist.
A 3.1
Blijkens het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast:
- Op 22 september 2005 heeft [D] BV, blijkens de akte van levering vertegenwoordigd door haar directeur [verdachte] (verdachte), de eigendom van het perceel [e-straat 1] te [plaats] verkocht aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. De koopprijs bedroeg 130.000 euro. Dit bedrag is door de kopers bij de levering van het onroerend goed verschuldigd gebleven aan verkoper [D] BV. Het pand is bezwaard met een eerste hypotheek ten behoeve van [betrokkene 8] ten bedrage van 206.259,87 euro en een tweede hypotheek ten behoeve van [betrokkene 8] ten bedrage van 160.000 euro. Verkoper [D] BV heeft het verkochte op 7 april 2004 in eigendom verkregen middels aankoop en levering, (pagina's 238 en 239)
- Verdachte is directeur en enig aandeelhouder van [D] BV. Over het pand [e-straat 1] te [plaats] verklaart verdachte onder meer volgende:
Ik heb alleen in privé samen met [medeverdachte 1] (het hof: [medeverdachte 1]) het pand aan de [e-straat 1] te [plaats]. Dit pand heb ik ongeveer vijf jaar geleden gekocht nadat ik het gehuurd had. [medeverdachte 1] heeft zich voor de helft ingekocht in dit pand. Dit is nu ongeveer vier jaar zo. We hebben het toen gerenoveerd en nu zit het in de exploitatie. [medeverdachte 1] ontvangt de helft van de huur. [medeverdachte 1] is momenteel voor 50% eigenaar van het onroerend goed aan de [e-straat 1] te [plaats]. (pagina 382)
[medeverdachte 1] is een persoon die ik al 25 jaar ken. (pagina 387)
Er is een bankrekening op de naam van [verdachte] e/o [medeverdachte 1] bij de Rabobank in Horst. De huurders betalen aan mij en aan [medeverdachte 1] op de rekening van de Rabobank. (pagina's 388 e.v)
- ln de jaren 2006 en 2007 hebben ingrijpende verbouwingen van het pand aan de [e-straat 1] te [plaats] plaatsgevonden. Uit de verklaringen van [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] blijkt dat [medeverdachte 1] in verband met deze verbouwing aan de [e-straat 1] diverse malen bouwmaterialen heeft gekocht bij [B] voor een bedrag van in ieder geval € 74.726,64 welk bedragen contant zijn betaald door [medeverdachte 1]. (pagina 273 e.v.)
- [betrokkene 9] verklaarde over de betalingen onder meer nog het volgende:
":[medeverdachte 1] kwam altijd bij mij op het kantoor binnen en dan had hij een plastic tas bij zich. In deze plastic tas zaten stapeltjes biljetten van 50,00 euro. Het waren stapeltjes van naar ik dacht 1.000 euro. [medeverdachte 1] is nooit uit zich zelf komen betalen, ik heb hier altijd voor moeten bellen met [verdachte]". (pagina's 349-350)
- Uit de uitgeleverde bescheiden en uit de verklaring van getuige [getuige 2] blijkt dat [C] voor werkzaamheden aan de [e-straat 1] te [plaats] in totaal een bedrag van 35.364,47 euro contant betaald heeft gekregen door [medeverdachte 1]. (pagina 609 e.v.)
- Verdachte heeft verklaard dat het idee om het pand [e-straat 1] met [medeverdachte 1] samen te kopen is ontstaan omdat hij moeilijk aan geld kon komen en iemand zocht die mee kon doen en geld had. Verdachte verklaart verder – onder meer - het volgende:
"[medeverdachte 1] zei tegen mij dat hij mee wilde doen en dat hij ook geld had om mee te doen. In 2006 zijn we gaan bouwen. [medeverdachte 1] kocht het bouwmateriaal. De bouwmaterialen van [B] werden hoofdzakelijk door [medeverdachte 1] contant betaald en soms door mij maar dat ging via de bank. [C] is door [medeverdachte 1] betaald". (pagina 41 I e.v.)
A3.2
Uit het vorenstaande blijkt dat [medeverdachte 1] in samenspraak met verdachte binnen een periode van 2 jaar in totaal een bedrag van ruim € 200.000,00 contant heeft betaald aan [B] en [C] in verband met een verbouwing aan het pand [e-straat 1] te [plaats], welk pand in eigendom was bij verdachte en [medeverdachte 1].
Het hof is van oordeel dat volstrekt niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 1] een bedrag van € 250.000,00 had geleend van [D] BV dan wel van verdachte in privé en deze betalingen aan [B] en [C] vervolgens middels dit geleende geld heeft gedaan. Het dossier bevat geen enkel bewijsmiddel, zoals bijvoorbeeld een kwitantie, waaruit blijkt van een dergelijk geleend bedrag. Uit het dossier volgt slechts dat in 2007 een drietal MOT-meldingen zijn gedaan van bedragen (totaal € 140.000,00) die in 2005 door [D] BV ter beschikking zouden zijn gesteld aan [medeverdachte 1]. Deze vermeende transacties zijn echter pas in maart 2007 gemeld nadat door de boekhouder van verdachte vragen zijn gesteld in verband met een negatief kassaldo en kunnen derhalve geen enkele ondersteuning bieden voor de stelling van de verdediging dat sprake is geweest van een lening in 2005 door verdachte dan wel [D] BV aan [medeverdachte 1]. Overigens acht het hof niet aannemelijk - ook niet als het gaat om vrienden - dat een lening van een bedrag ter hoogte van € 250.000,00 op geen enkele wijze contractueel wordt vastgelegd en met name niet indien zo een lening in een boekhouding (in dit geval van [D] BV) moet worden verwerkt.”