Conclusie
Onderdeel 2faalt aanstonds omdat het zich richt tegen rov. 7, welke overweging ten overvloede is gegeven.
Onderdeel 1keert zich tegen het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden, in het bijzonder de overweging dat hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd met betrekking tot haar persoonlijke problemen niet tot een ander oordeel leidt. Het onderdeel betoogt dat de beoordelingsruimte waarover het hof beschikt aangewend had moeten worden om [verzoekster] een uitweg te bieden uit haar uitzichtloze financiële situatie, waarbij ook een algemeen belang is gemoeid aangezien de economie zo weer van voldoende koopkracht kan worden voorzien. Voorts zou het hof de inhoud en strekking en reikwijdte van de goede trouw hebben miskend, althans is het oordeel niet begrijpelijk, nu [verzoekster] heeft aangevoerd dat bij afwijzing van haar verzoek ontruiming uit haar woning volgt en daarmee een beroep heeft gedaan op uiterst klemmende redenen van humanitaire aard bestaande uit het niet kwijtraken van haar woning, hetgeen haar bedreigt in haar leven. Het onderdeel verwijst daarbij naar art. 2 EVRM Pro. De inhoud van
onderdeel 3sluit hierbij aan. Daarin wordt een beroep gedaan op haar recht op leven en het grondrecht van wonen en veiligheid van eigen woning, die zouden meebrengen dat naar verkeersopvattingen gestreefd moet worden naar stabilisatie en handhaving van de door het onderdeel als bindend beschouwde regel dat iemand niet dakloos moet worden.