ECLI:NL:PHR:2014:498

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2014
Publicatiedatum
6 juni 2014
Zaaknummer
14/02353
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 2 lid 2 Wet BopzArt. 3 lid 1 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voorlopige machtiging op grond van Wet Bopz wegens gevaar voor betrokkene en anderen

Bij beschikking van 4 februari 2014 verleende de rechtbank Rotterdam op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging tot opname en verblijf van betrokkene in een zwakzinnigeninrichting op grond van de Wet Bopz. Betrokkene stelde tijdig cassatieberoep in, maar diende geen verweerschrift in.

De Hoge Raad beoordeelde de motiveringsklachten over het door de rechtbank aangenomen gevaar en het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gevaar. De rechtbank achtte gevaar voor anderen aanwezig vanwege het risico op agressief gedrag en gevaar voor betrokkene zelf in de vorm van maatschappelijke teloorgang. Dit oordeel was gebaseerd op een psychiatrisch rapport en toelichting ter zitting, waarbij ook eerdere incidenten werden betrokken.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het gevaar niet door hulpverlening buiten een zwakzinnigeninrichting kon worden afgewend, mede omdat betrokkene zorgmijdend is en medicatie weigert. De Hoge Raad vond de motivering toereikend en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk, waarmee de voorlopige machtiging in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de voorlopige machtiging tot opname in een zwakzinnigeninrichting in stand bleef.

Conclusie

14/02353
Mr. F.F. Langemeijer
23 mei 2014 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Rotterdam
1. Bij beschikking van 4 februari 2014 heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verleend tot opneming en verblijf van verzoeker tot cassatie in een zwakzinnigeninrichting (art. 2 en Pro 3 Wet Bopz). Namens betrokkene is tijdig cassatieberoep ingesteld [1] . In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2.
Onderdeel Ibevat inhoudelijk slechts motiveringsklachten over het door de rechtbank aangenomen gevaar en het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gevaar (rov. 2.2).
3. De rechtbank heeft gevaar voor anderen aanwezig geacht, te weten het risico van agressief gedrag van betrokkene, en gevaar voor betrokkene zelf in de vorm van maatschappelijke teloorgang [2] . De rechtbank heeft oorzakelijk verband vastgesteld tussen de stoornis en deze gevaren. De rechtbank baseert zich hiervoor op de verklaring van de niet bij de behandeling betrokken psychiater, die betrokkene heeft onderzocht op 13 januari 2014 en tot deze bevindingen kwam en op de toelichting ter zitting. Dat de rechtbank m.b.t. het risico van agressief gedrag ook incidenten van 7 juli 2013 en 27 augustus 2012 in haar oordeel heeft betrokken (rov. 1.3), maakt het oordeel over de kans op zulk nadeel niet minder actueel, noch onbegrijpelijk. De rechtbank vermeldt in de eerste drie zinnen van rov. 2.2 de actuele geestelijke toestand en in rov. 2.3 de opstelling van betrokkene in de periode tussen juli 2013 en januari 2014 ten opzichte van de behandeling. De rechtbank illustreert de aard van het agressief gedrag waarvoor moet worden gevreesd aan de hand van voorbeelden uit het verleden. Wat betreft het gevaar van maatschappelijke teloorgang, heeft de rechtbank de kans op zelfverwaarlozing besproken, met name in perioden van neerslachtigheid, en ter illustratie aangegeven hoe het betrokkene in een eerdere periode van zelfstandig wonen is vergaan. Daarmee is niet gegeven dat de vrijheidsbeneming berust op ontoereikende, want verouderde informatie, zoals het middelonderdeel veronderstelt.
4.
Onderdeel IIkomt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een zwakzinnigeninrichting kan worden afgewend (rov. 2.3; art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz). Dit oordeel heeft de rechtbank toereikend gemotiveerd door te overwegen dat de gedragswetenschapper ter zitting heeft verklaard dat 24-uurs zorg noodzakelijk is, dat deze hulpverlening bij verblijf in eigen woning praktisch niet mogelijk is en dat er geen reëel alternatief is, omdat gebleken is dat in de afgelopen periode geen afspraken met betrokkene konden worden gemaakt en hij zorgmijdend is. In rubriek 6 van de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst is het alternatief van medicatie besproken, maar ook vermeld dat betrokkene medicatie weigert.
5. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, zodat toepassing kan worden gegeven aan art. 80a RO. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.Een faxcopie is ingekomen op 6 mei 2014; een dag later het ondertekende cassatierekest. Maandag 5 mei 2014 was een erkende feestdag (art. 3 lid 1 Algemene Pro termijnenwet).
2.Zie art. 1 lid 1 Wet Pro Bopz; het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat.