3.1.3Lichamelijk onderzoek
Volgens de raadsvrouw ondersteunt de uitslag van het lichamelijk onderzoek, weergegeven in het schriftelijk verslag van prof. dr. H.W. Bruinse van 16 juli 2012 de aangifte niet.
Hoewel deze deskundige opmerkt dat het ontbreken van (oude) littekens of letsels veelvuldige anale en vaginale verkrachting niet hoeven uit te sluiten, acht de raadsvrouw het niet aannemelijk dat [betrokkene 1] door verdachte kan zijn verkracht zonder aanzienlijk lichamelijk letsel.
Zij wijst hierbij op het feit dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat de penis van verdachte in erectie 20 tot 22 cm lang is en dat zij de verklaring van [betrokkene 1] niet geloofwaardig acht omdat hetgeen door [betrokkene 1] beschreven wordt zelfs voor een volwassen vrouw niet te verdragen zou zijn, zonder het uit te schreeuwen van de pijn.
Om bovenstaand verweer te ondersteunen heeft de verdediging bij dupliek een fotoprint (welke volgens de raadsvrouw een screenshot van een videobeeld zou betreffen) overgelegd waarop de penis van de verdachte in erectie te zien zou zijn.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende. [betrokkene 1] heeft in haar verhoren meermalen aangegeven dat zij erge pijn heeft ondervonden van de verkrachtingen. Daarnaast verklaart zij over het bloeden naderhand en dat zij hierna moeilijk naar het toilet kon gaan. Ook is door een lerares van de basisschool eenmaal bloed in de onderbroek van [betrokkene 1] aangetroffen.
De uitkomsten van het lichamelijk onderzoek door Bruinse sluiten evenmin lichamelijk letsel uit. In zoverre draagt het rapport weliswaar niet bij aan het bewijs, maar is evenmin onverenigbaar met een bewezenverklaring.
De door de raadsvrouw overgelegde fotoprint wordt buiten beschouwing gelaten, reeds omdat geenszins vaststaat dat de daarop afgebeelde penis van de verdachte is.
3.5 De vraag naar de waardering van de uitkomsten van het spermasporen- en DNAonderzoek
Onderscheid moet naar het oordeel van het hof worden gemaakt tussen het onderzoek en de uitkomsten daarvan met betrekking tot de zedenset, de onderbroek en het laken. Daarbij stelt het hof voorop dat het hier gaat om sporen in relatie tot mogelijk seksueel verkeer tussen verdachte en [betrokkene 1] in de periode tussen maandagavond 23 april en dinsdagmorgen 24 april 2007. Over die door [betrokkene 1] hierboven reeds beschreven laatste keer zijn een aantal details wel en een aantal details niet bekend geworden. Dit bemoeilijkt het trekken van conclusies als het gaat om de waardering van de verschillende verkregen onderzoeksresultaten.
De raadsvrouw heeft op een aantal punten gemotiveerd aangegeven dat de uitkomsten van het onderzoek door het NFI niet kunnen bijdragen tot het bewijs. Het hof zal hieronder ingaan op bedoelde verweren en zich vervolgens uitlaten over de al dan niet bruikbaarheid van het forensisch onderzoeksresultaat voor het bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde.
3.5.1 Onderzoek naar het laken door het NFI
De raadsvrouw noemt kort het feit dat er geen sporen op het laken van het bed van [betrokkene 1] zijn aangetroffen een ontlastend gegeven.
Het hof deelt de conclusie van de raadsvrouw dat bij het NFI-onderzoek aan het laken geen sperma of een aanwijzing voor spermavloeistof is aangetroffen. Volgens het deskundigenrapport van 10 maart 2008 zijn daarom van het laken geen sporen veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Het hof wijst erop dat bij de waardering van onderhavig onderzoeksresultaat ook de volgende aspecten van belang zijn.
Allereerst heeft de getuige-deskundige Bauer ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 november 2008 het volgende verklaard:
Het laken is eerst visueel bekeken met een forensische lichtbron. Er was één oplichtende vlek. Op deze vlek is de zure fosfasetest toegepast. Het testresultaat was negatief. Er is specifiek naar spermasporen gezocht, andere sporen zijn niet onderzocht.
Ten tweede is uit het politieonderzoek destijds niet komen vast te staan of bedoeld laken die nacht tijdens het door [betrokkene 1] beschreven seksueel verkeer op haar bed heeft gelegen. Slechts kan worden vastgesteld dat de politie het laken op woensdagavond 25 april van het bed van [betrokkene 1] heeft gehaald op een tijdstip nadat verdachte was aangehouden. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat de uitkomsten met betrekking tot het laken -positief of negatief- niet als belastend en ook niet als ontlastend kunnen worden bestempeld.
3.5.2 Onderzoek zedendelicten
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de bij [betrokkene 1] afgenomen zedenkit (ongeveer 24 uur na het door [betrokkene 1] beschreven laatste seksueel verkeer), waarbij verdachte zou zijn klaar gekomen en [betrokkene 1] zich nadien niet heeft gewassen, een belangrijk ontlastend gegeven is.
Het hof merkt allereerst op dat door de getuige-deskundige de Blaeij ter zitting in eerste aanleg op 6 november 2008 ook is ingegaan op de mogelijke betekenis van de uitkomsten van dit onderzoek. Zij heeft daarover het volgende verklaard:
U vraagt mij naar de reden waarom -ondanks het feit dat in ZAI292 bij het eerdere onderzoek geen sperma is aangetroffen- de bemonsteringen toch zijn onderworpen aan de differentiële lysistechniek. Er wordt dan gekeken of er toch dieper in het wattenstaafje spermacellen aanwezig zijn. Deze methode resulteert in twee fracties, een fractie met het DNA van de spermacellen en een fractie met het DNA van de overige cellen. U vraagt mij of de conclusie met betrekking tot de zedenset betekent dat met zekerheid kan worden gezegd dat in de vagina/baarmoedermond geen sperma(vloeistof) aanwezig is geweest op het moment van de afname van het materiaal Nee het is mogelijk dat de spermacellen zich dusdanig in de diepere lagen bevinden dat bij later DNA-onderzoek toch nog spermacellen worden aangetroffen. Het kan ook zijn dat spermacellen in de vagina sterk worden overtroffen door vaginale cellen. De vraag of onderzoek een bruikbaar profiel oplevert, hangt af van verschillende factoren zoals de kwaliteit DNA van het spoor en de condities waaronder het spoor is veiliggesteld. In het algemeen is het tijdsverloop tussen het seksueel verkeer en de afname van materiaal zeker van belang, dat tijdsinterval moet zo kort mogelijk zijn. Daarbij wordt binnen het NFI de termijn van 24 uur als een soort gemiddelde beschouwd. Ook van belang is het leef- en beweegpatroon van de vrouw in kwestie. Tevens speelt mee hoe ervaren de arts is die het monster afneemt en hoe exact het monster is afgenomen.
De raadsman in eerste aanleg heeft zijn destijds ingenomen stelling ook ter zitting in de vorm van een vraag aan de getuige-deskundige geponeerd, namelijk hoe waarschijnlijk het is dat geen spermacellen worden aangetroffen in de situatie dat een vruchtbare man in een vrouw een zaadlozing heeft, waarbij de vrouw naderhand haar slip heeft aangetrokken, niet heeft gedoucht en binnen 24 uur de zedenkit wordt afgenomen. De getuige-deskundige heeft daarop verklaard:
Dit is van heel veel factoren afhankelijk. Ik kan daar geen uitspraak over doen. Je weet bijvoorbeeld niet hoe representatief de bemonstering is geweest. Wanneer iemand naar het toilet gaat, gaat er al een heleboel materiaal naar buiten. Des te meer invloeden, des te minder spermacellen er overblijven. Daar komt bij dat de anatomische bouw van iedere vrouw anders is.
In hoger beroep is door drs. H.N. Bauer een brief d.d. 27 januari 2011 opgesteld, betreffende een reactie op de Quick-scan DNA-onderzoek van 8 juli 2010 van R. Eikelenboom van Independent Forensic Services (IFS). In deze brief schrijft Bauer (onder punt 7) ten aanzien hiervan:
Onder het zevende punt (naar het hof begrijpt: punt 7 in de quick-scan van het IFS) wordt gesteld dat in sommige gevallen na 3 tot 7 dagen na ejaculatie nog spermacellen worden aangetroffen in de zedenkit. Daarnaast wordt gesteld dat er op grond van de resultaten van het NFI geen steun is voor de hypothese dat er sperma op de uitstrijkjes van de vagina aanwezig was.
Het klopt dat in sommige gevallen na het verstrijken van meerdere dagen nog spermacellen in inwendige bemonstering van een lichaam kunnen worden aangetroffen. Het niet aantreffen van spermacellen betekent echter niet zondermeer dat er geen ejaculatie of geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden. Ook de tijd tussen delict en bemonstering en de wijze van bemonstering ten tijde van het afnemen van de onderzoeksset zedendelicten en het 'was- en piasgedrag' van de bemonsterde persoon zijn hierop van invloed.
Vaststaat dat [betrokkene 1] voorafgaand aan het onderzoek in elk geval heeft geplast. Het hof is van oordeel dat de conclusie die de raadsvrouw verbindt aan het negatieve testresultaat inzake de zedenkit niet kan worden getrokken en niet wordt ondersteund door de deskundige van het NFI. Dat [betrokkene 1] zich niet heeft gewassen doet hier niets aan af. Ook de verklaring van de moeder dat er veel vloeistof vrijkomt als verdachte ejaculeert doet hier niets aan af. Te meer omdat dit niet objectief is vastgesteld en de hoeveelheid vloeistof per ejaculatie kan verschillen.”