Conclusie
[de opgeëiste persoon]
eerste middelklaagt dat de rechtbank in strijd met de artikelen 2 en 6 van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven (hierna: WOO) juncto art. 28 van Pro de uitleveringswet (Uw) haar beslissing niet, althans onjuist en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd door niet in te gaan op een namens de opgeëiste persoon ter zitting voorgedragen verweer, inhoudende dat Nederland en Rwanda niet met elkaar in verdragsbetrekking staan voor wat betreft het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (hierna: het Genocideverdrag). Dit dient tot nietigheid te leiden.
enverhinderde het aldus geformuleerde bezwaar tegen het bedoelde voorbehoud ten aanzien van artikel IX de inwerkingtreding van het Genocideverdrag tussen Nederland en Rwanda. [3]
tweede middelklaagt over de verwerping van het namens de opgeëiste persoon ter zitting gevoerde verweer, inhoudende dat vanwege het ontbreken van een
uitleveringsverdrag tussen Nederland en Rwanda niet mag worden uitgegaan van de gelding van het vertrouwensbeginsel in de uitleveringsprocedure. Door te stellen dat het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tot goede trouw verplicht, ook ten aanzien van de uitleveringsbepaling in het Genocideverdrag, en door te stellen dat het vertrouwensbeginsel niet buiten werking wordt gesteld door de in het uitleveringsverzoek vervatte garantie, heeft de rechtbank dit verweer onjuist althans onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd verworpen, aldus de steller van het middel.
Nederlandom met de verzoekende staat een verdragsrelatie aan te gaan en die relatie te continueren.
derde middelklaagt over de verwerping van het verweer dat verwikkelingen in de zaak van Victoire [B] van betekenis zijn voor de beoordeling van de garanties in de voorliggende zaak.
vierde middelbehelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering aan Rwanda het risico loopt te worden blootgesteld aan een (flagrante) schending van enig hem ingevolge art. 6 EVRM Pro, jo. art. 6 WOO Pro en art. 28 UW Pro toekomend recht.
deze specifiekezaak sprake is van een dreigende schending van art. 6 EVRM Pro. Ook de overige argumenten noch op zichzelf, noch in samenhang bezien, hebben de rechtbank doen oordelen dat een flagrante schending van art. 6 EVRM Pro dreigt.